Dick Swaab koestert over het brein een al te absolute overtuiging

Volgens neurobioloog Dick Swaab bepalen de hersenen de gehele ontwikkeling van de mens. Hij onderschat de grote invloed van maatschappelijke factoren, betoogt André Köbben.

Van het boek Wij zijn ons brein van Dick Swaab, uitgegeven in Amsterdam bij Contact, verscheen de eerste druk in september 2010. Inmiddels zijn er 120.000 exemplaren van verkocht. Dat is een groot en welverdiend succes.

De auteur bepleit zijn hoofdstelling, die in de titel is gegeven, deskundig en met verve en licht deze toe met duidelijke en indrukwekkende voorbeelden. Bij de geboorte van een mens, betoogt hij, liggen haar/zijn mogelijkheden en beperkingen al onwrikbaar vast. Slechts in de allereerste kinderjaren valt nog iets te sleutelen aan de bouw van de hersenen. Swaab noemt zichzelf daarom een ‘neurocalvinist’. Inderdaad vertoont hij de steilheid die de ware calvinist eigen is. Dat is mede de attractie van zijn boek. Juist door de absoluutheid van zijn overtuiging prikkelt hij tot tegenspraak.

Mij dunkt dat Swaab de invloed van maatschappelijke factoren al te zeer onderschat. Die fungeren, zeker in ons type samenleving, als voortzetting van de evolutie met andere middelen. Zij werken ook nog eens veel en veel sneller dan verandering door biologische oorzaken – ter toelichting het volgende.

In 1880 wordt Multatuli zestig jaar. Naar de maatstaven van die tijd is hij een oude man. Hij stelt vast dat de wereld van 1880 volkomen anders is dan die van zijn jeugd. Hij noemt de komst van de spoorwegen, de telephoon, de phonograaf, de „wondergaven van Edison”, de industriële ontwikkeling en Darwin, die een omwenteling in ons denken heeft teweeggebracht.

Alle generaties na hem kunnen met evenveel of meer recht wijzen op spectaculaire ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan tijdens hun levensdagen – niet alleen in materiële, maar al evenzeer in culturele zin, dus wat betreft de zeden en gewoonten in de samenleving.

Swaab schrijft uitvoerig over seksualiteit. Of je hetero of homo bent, leert hij ons, ligt vast in je brein. Daarbuiten onderscheidt Swaab nog een derde categorie – biseksuelen. Hij meldt dat de bekendste seksuoloog van de vorige generatie, Alfred Kinsey, een schaal heeft opgesteld die loopt van nul tot zes, waarbij nul staat voor exclusief heteroseksueel en zes voor exclusief homoseksueel. Mij dunkt dat iemand wel degelijk een keuze heeft als hij/zij op Kinsey’s continuüm het rangnummer twee, drie of vier inneemt. We weten alleen niet hoe velen in het verleden hebben gebruikgemaakt van die keuze.

Zoals bekend is de houding tegenover homoseksualiteit veel minder afwijzend dan voorheen. Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat heden ten dage meer mensen dan voorheen bewust durven te kiezen voor een homoseksuele levenswandel. Dit hoeft immers niet meer hun maatschappelijke positie te schaden. Ook hier weten we niet hoe vaak dit in feite gebeurt.

Ook noemt Swaab de puberteit. Bij jongens in de puberteit, zegt hij, ontwaakt de seksualiteit, maar valt ook antisociaal, agressief en crimineel gedrag te verwachten, net als ontremd gedrag, zoals overmatig drank- en drugsgebruik. Dat is nu eenmaal zo bepaald in en door de evolutie. Ik geloof hem graag. Alleen deden al die verschijnselen zich ook in mijn jeugd voor, maar dan vele malen minder hevig. Comazuipen bestond nog niet. ‘Zinloos geweld’ van stomdronken jongelui met de dood als gevolg kwam, voor zover ik weet, niet of nauwelijks voor. Dankzij de zegeningen van de tv en de computer hebben seksuele uitingen hun taboekarakter verloren. Veel twaalfjarigen weten meer over seks dan ik op mijn achttiende, ook over de minder verheffende aspecten ervan, zoals groepsverkrachtingen door jongeren.

Het verschil met vroeger is vooral te verklaren doordat ouders, en bijvoorbeeld ook leraren, door de maatschappelijke ontwikkelingen hun greep op jongeren goeddeels hebben verloren, waardoor zij de corrigerende rol die zij vroeger hadden niet meer kunnen vervullen. Weet Swaab dit niet? Natuurlijk wel. Hij vermeldt het in zijn hoofdstuk over het puberbrein. Hij trekt alleen niet de voor de hand liggende conclusie dat het gedrag van die jongeren niet alleen door biologische, maar minstens evenzeer wordt bepaald door maatschappelijke factoren.

In zijn boek doet Swaab vaker uitspraken die de absoluutheid van zijn hoofdstelling ondergraven. Over Alzheimer zegt hij dat een goede scholing, een uitdagende baan en een actief bestaan de kans op die aandoening verkleinen. In het hoofdstuk over vetzucht deelt hij mee dat een lagere sociaal-economische status een verhoogd risico op vetzucht oplevert. Aan vetzucht als gevolg van het brein besteedt hij zo’n tweehonderd regels en aan maatschappelijke oorzaken welgeteld dertien.

Of neem religie. Swaab vindt dat ook de vraag of iemand religieus is, grotendeels wordt bepaald door het brein. Je wordt het, zegt hij, als je ouders gelovig zijn. Die brengen je het geloof bij in je prille jeugd, als je hersenen nog plooibaar zijn. Als hij gelijk heeft, valt – dunkt mij – te verwachten dat iemands religieuze overtuiging robuust is. Dan zit de betrokkene daar voor zijn leven aan vast. Ik ben geboren en getogen in Den Bosch, een stad die in mijn jeugd zeer, om niet te zeggen overweldigend, katholiek was. Opmerkelijk genoeg is het katholicisme daar in één generatie welhaast weggevaagd. Als machtsfactor heeft het in elk geval definitief afgedaan.

Swaab wijdt een lange beschouwing aan de wandaden die zijn begaan door gelovigen van allerlei slag als uiting of gevolg van hun geloof. Hij besluit met de retorische vraag of de wereld beter af zou zijn met een religievrije maatschappij. Van wat hij over dit onderwerp te berde brengt, is geen woord gelogen, maar het is ook mogelijk om een lijst op te stellen van loffelijke daden van gelovigen die zijn ingegeven door hun geloof. Omgekeerd is het niet moeilijk om afgrijselijke misdaden op te sommen die ongelovigen hebben begaan als uiting of gevolg van politieke dogma’s. Swaab noemt Hitler, Mao en Stalin. Dat is afdoende. Ik houd het erop dat gelovigen en ongelovigen in gelijke mate geneigd zijn tot het kwade en, waar dat zich voordoet, tot het goede.

In de jaren zestig tot tachtig van de twintigste eeuw, zegt Swaab, „was er een universeel geloof in de maakbaarheid van de mens. Iemand die daar anders over dacht, zoals [criminoloog] Buikhuisen, werd neergesabeld”. Het klopt dat de factor ‘aanleg’ in die jaren, en ook nog wel daarna, door velen schromelijk werd onderschat en omgevingsfactoren ernstig werden overschat, maar ook hier is Swaab te absoluut in zijn oordeel. In 1979, toen de hetze tegen Wouter Buikhuisen op haar hoogtepunt was, hebben wij een enquête gehouden onder een representatieve groep biologen, psychologen en sociologen, waarbij wij hun onder meer de vraag hebben gesteld of ze biosociaal onderzoek in principe nuttig vonden. Zes op de tien ondervraagden zeiden ja, twee op de tien zeiden nee en twee op de tien hadden geen mening.

Swaab schrijft ook over Darwin, die schreef „[…] dat opvoeding en omgeving slechts een geringe invloed op de mens uitoefenen en dat de meeste van onze eigenschappen aangeboren zijn”. Swaab vindt dit een zodanig belangrijke en originele uitspraak dat hij deze tweemaal presenteert in zijn boek. De bewering van Darwin is volgens mij nogal conventioneel. Het merendeel van de geleerden in de negentiende eeuw en een eind weegs in de twintigste eeuw die zich over nature or nurture uitlieten, koesterde sterk biologistische denkbeelden. Dat geldt zelfs voor heel wat beoefenaars van sociale en culturele wetenschappen.

Edward B. Tylor, grondlegger van de culturele antropologie, schreef in 1881: „De geschiedenis leert ons dat sommige rassen ver zijn voortgeschreden op de weg van de beschaving, terwijl andere hebben stilgestaan. We moeten dit gedeeltelijk verklaren uit een verschil in geestelijke en morele vermogens. De anatomie toont dat de hersenen bij de inheemse Australiërs en Afrikanen in mindere mate zijn ontwikkeld. Het stemt overeen met wat de beschavingsgeschiedenis ons te zien geeft.”

Een tweede voorbeeld wordt gevormd door Pitirim Sorokin en zijn in 1928 verschenen Contemporary Sociological Theories, een toen gezaghebbend handboek. Hij bespreekt uitvoerig de biologistische – hij noemt het de „anthropo-raciale” – richting in de sociale wetenschappen. Hij bekritiseert deze richting, maar weinig fundamenteel. Zijn conclusie luidt: „Het is een van de meest waardevolle richtingen in de sociologie. We moeten de overdrijving waar die zich bij de aanhangers ervan voordoet verwerpen, maar verder kunnen we haar slechts dankbaar zijn voor haar vele bijdragen tot onze kennis.” Hij bespreekt uitvoerig en met veel waardering de boeken van A. De Gobineau (1816-1882), van Houston Stewart Chamberlain (1855-1927) en van Hans F.K. Günther (1891-1968). Later zijn de theorieën van deze drie auteurs gretig gebruikt door nazigeleerden.

Ook de Nederlandse geleerde S.R. Steinmetz (1862-1940), een van de grondleggers van de sociologie en de antropologie in Nederland, dacht sterk in biologistische termen. De gedachte dat de erfelijke aanleg van alle rassen gelijk zou zijn, noemde hij „ingegeven door sentimentaliteit”. Zaken als burgerzin, politieke interesse en discipline achtte hij „in laatste instantie erfelijk bepaald”. Ook was hij, niet toevallig, voorstander van eugenetische maatregelen.

Generaties lang zijn biologistische verklaringen gemeengoed geweest, tot in het absurde. In de jaren zeventig van de vorige eeuw werden de maatschappelijke verhoudingen ineens beschouwd als alles bepalend, ook tot in het absurde. Swaab stelt dat laatste terecht aan de kaak. Het succes van zijn boek is een aanwijzing dat zulk sociologistisch denken op zijn retour is.

Tot slot – tussen biologisme en racisme zit maar één stap, die velen hebben gezet. Daarom hecht ik eraan om met nadruk te zeggen dat het boek van Swaab veel biologie bevat, maar geen spoor van racisme.

André Köbben is emeritus hoogleraar antropologie aan de Universiteit Leiden.