'Bij rood haar slaat mijn hart over'

Vandaag verschijnt Midas Dekkers’ boek Rood, een bekoring. Hij legt aan een roodharige redactrice uit waarom juist die haarkleur hem zo fascineert.

Nederland, Amsterdam, 20-04-2011 Wandert Jacobus Dekkers, beter bekend als Midas Dekkers (Haarlem, 22 april 1946), is een Nederlandse bioloog en schrijver van fictie en non-fictie voor kinderen en volwassenen. Op de voorgrond Frederiek Weeda PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS
Nederland, Amsterdam, 20-04-2011 Wandert Jacobus Dekkers, beter bekend als Midas Dekkers (Haarlem, 22 april 1946), is een Nederlandse bioloog en schrijver van fictie en non-fictie voor kinderen en volwassenen. Op de voorgrond Frederiek Weeda PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2010

Midas Dekkers is in de hemel beland. Om hen heen staan tien roodharige vrouwen, na afloop van een televisieoptreden. Ze kijken lief naar de man die hen op een voetstuk plaatst met zijn nieuwste boek Rood, een bekoring. Ze willen dat hij signeert. Na elke sessie grijpt hij naar zijn hart en neemt een slok water. „Even bijkomen”.

Vandaag, op de 65ste verjaardag van bioloog Midas Dekkers, verschijnt het boek Rood (bij uitgeverij Contact). Hij wilde het al zestien jaar schrijven. Sinds een onvergetelijke reis naar Ierland met een cameraman van de Vara. Ze zochten roodharige vrouwen en zaten aan de westkust. Het waren „de twee weken van de eeuw” dat de zon onophoudelijk scheen in Ierland. Overal liepen vrolijke Ierse vrouwen met kopergoud op het hoofd. Op een dag zag Dekkers een jonge vrouw met lang rood haar. Ze droeg een lange rok, zoals streng gereformeerde vrouwen doen, en ze liep in een weiland. „Zoals God Ierland die mooie rode vrouwen heeft gegeven, heeft hij het ook het mooiste groene gras gegeven.” De vrouw lachte verlegen naar Dekkers en de cameraman, ze bloosde. En toen ging ze opeens een ballade zingen. „Een melancholische ballade. Zo mooi, en het duurde zo lang. Als je denkt dat het Wilhelmus lang is, dan ken je de Ierse ballades nog niet.” Na afloop was Dekkers van zijn stuk. Hij weet niet meer waar hij de moed vandaan haalde maar hij vroeg of ze haar rok een beetje wilde optillen. Ze giechelde en bloosde maar ze deed het. „Daaronder was het krijtwit, albast, met kleine sproetjes. Zo prachtig. Voor één zo’n stuk kuit, wil ik graag eeuwig in de hel branden.”

De verslaggever met wie Dekkers vanavond in zijn Amsterdamse stamcafé zit, is een roodharige vrouw. Even bijkomen.

U zegt dat mannen van roodharige vrouwen houden. Wij dachten dat ze van blond hielden.

„Vrouwen gebruiken het haar om op te vallen. Sommigen verven het blond. Als je er kinderlijk uit wilt zien, verf je je haar blond. Veel kinderen zijn blond en worden later donkerder. Tot de puberteit lijken jongens en meisjes sterk op elkaar. Daarna worden de verschillen groot. Jongens worden hoekig, ruw en behaard. Vrouwen blijven rond, zacht en niet behaard, kinderlijk dus. Dat is aantrekkelijk voor mannen. Maar blond wordt ook geassocieerd met dom. Dus als vrouw zou ik niet blond willen zijn.”

Wij dachten dat mannen dom aantrekkelijk vinden.

„Ja dat is vast zo. Maar ik niet. Ik vind rood aantrekkelijk. Rood wordt nooit in verband gebracht met dom. Maar met eigenzinnig. Anders. Dat is ook logisch. Als je je hele jeugd bent gepest met je rode haar, dan verzin je iets anders om leuk gevonden te worden. Je bent eigenwijzer, autonomer. Je past je zo aan aan de omstandigheden. Het is wel wennen, als je eenmaal vrouw bent, dat je grootste probleem – het rode haar – opeens je grootste wapen wordt.”

U dicht ons allerlei eigenschappen toe.

„Hartstochtelijkheid, slimheid, sensualiteit. Sommige kwaliteiten die mannen roodharigen toedichten, heb ik niet eens opgeschreven. Als ik één van jullie zie, dan slaat mijn hart altijd over. Dan sta ik stil en moet ik naar adem happen.”

Terwijl, zoals u schrijft, wij al sinds 2.400 jaar een slechte pers hebben.

„De Griekse Aristophenes schreef dat je met haren zo rood als een vos ook zo slecht was als een vos. In de Bijbel hadden de slechteriken en de verleiders rood haar. Eva, Herodes, Salomé. In en na de middeleeuwen werden roodharige vrouwen als heksen beschouwd en werden ze verbrand. Charles Dickens gaf de slechterik Fagan rood haar en de weerzinwekkende Uriah Heep uit David Copperfield. Nu nog: er zijn artsen die stellig beweren dat roodharigen meer bloeden, een lagere pijngrens hebben, gevoeliger zijn dan anderen. Dat is uitgezocht en het is niet waar. Soms was rood haar weer in de mode, zoals in de negentiende eeuw. Schilders en dichters zoals de Pre-Raphaelites maakten er femmes fatales van. Vrouwen die een man verleiden en hem dan helemaal opeten.”

Dat doen we niet hoor.

Stilte.

Wij associëren rood haar met last.

„Dat is het prachtige aan rood haar. Alles eraan is dubbelzinnig. Je raakt er nooit op uitgekeken. De één associeert het met duivels en gevaarlijk, de ander met puur en prachtig. In de natuur heeft rood altijd betekenis. Want het valt altijd op. Een rode bes betekent óf: ik ben lekker, eet mij. Of: ik ben giftig, eet mij niet.”

Waarom worden wij als kind gepest?

„Dieren en mensen streven ernaar om zo veel mogelijk op elkaar te lijken. Elke afwijkende of sterke eigenschap die opvalt in een groep, maakt bang. En dus worden afwijkenden verstoten uit de groep. Bij mensen heet dat pesten.”

Hoe zijn wij ontstaan?

„De mens heeft van oorsprong zwart haar want dat beschermt tegen de zon in Afrika. Toen de mens 50.000 jaar geleden naar het noorden trok, was dat gen voor zwart haar steeds minder nodig. In Schotland (de hemel) en Ierland waar weinig zon schijnt, muteerde het gen en werd dat een gen voor rood haar. Het is een recessief gen, dat snel wordt overdonderd door andere. Alleen als beide ouders dat recessieve gen hebben, kan er een roodharig kind uitkomen. Ook als beide ouders zelf bruin of blond haar hebben. Inteelt is dus gunstig voor rood haar. In van die Ierse inteeltdorpen floreerde het. Omdat rood haar niet nodig is voor overleving, is het gen overbodig. Maar voor de seksuele selectie is het mogelijk wel belangrijk. Als een man een roodharige vrouw als eerste kiest om mee te paren, dan heeft zij meer kans zich voort te planten dan anderen.”

Dus wij sterven niet uit?

„Gelukkig niet. Het roodharigen gen wordt verdund, maar de aanleg blijft bestaan. Het zal woeden als een veenbrand onder de mensen. Maar af en toe, als twee mensen met dat gen paren, laait er weer zo’n prachtig rood vuur op.”