Bescherming embryo vergroot risico's

Gebruik van embryo’s voor onderzoek is onderworpen aan allerlei beperkingen. Die vergroten de risico’s voor moeders en kinderen, zeggen twee ethici.

„Ironisch genoeg beschermt de maatschappij het menselijke embryo zo strikt, dat als gevolg daarvan vrouwen en kinderen aan een hoger risico blootstaan.” Dat schrijven de aan de Maastricht Universiteit verbonden ethici Wybo Dondorp en Guido de Wert in een opinieartikel in het vakblad Human Reproduction. Het artikel is eerder deze week online gepubliceerd.

Nieuwe technieken om ongewenst kinderloze paren toch een kind te bezorgen en om kinderen met een erfelijke ziekte niet geboren te laten worden, worden nog vaak geïntroduceerd zonder goed voorafgaand onderzoek. Dat komt onder andere doordat het maken van menselijke embryo’s voor onderzoek in de meeste Europese landen is verboden.

„De als moreel hoogstaand beschouwde quasi-absolute bescherming van het embryo kan in de praktijk problematisch zijn als het leidt tot nieuwe technieken die voortijdig in de geneeskunde worden geïntroduceerd”, schrijven Dondorp en De Wert in hun artikel.

Als voorbeeld noemen ze een Italiaanse wet die sinds 2004 artsen verplicht om alle bij een ivf-procedure ontstane embryo’s direct bij de moeder terug te plaatsen. Invriezen van een teveel aan embryo’s was voortaan verboden. Omdat daardoor minder eicellen bevrucht konden worden, probeerden de Italiaanse artsen het teveel aan eicellen in te vriezen. Dat lukte uiteindelijk met een nieuwe methode (vitrificatie). Sommige Italiaanse artsen zeggen dat het wettelijk verbod de voortplantingstechniek op die manier vooruit heeft geholpen. Dondorp en De Wert merken daar echter bij op dat het invriezen van eicellen – een techniek die na twee jaar politieke en maatschappelijke discussie in Nederland beschikbaar is – is geïntroduceerd zonder voldoende onderzoek naar de risico’s voor de kinderen die eruit ontstaan.

„Verantwoorde medische innovatie is niet alleen een verantwoordelijkheid van artsen, maar verlangt ook dat wetgever en politici hun verantwoordelijkheid nemen”, schrijven Dondorp en De Wert.

Soms kan voorafgaand veiligheidsonderzoek worden gedaan met proefdieren, waaronder apen. In aanvulling daarop kan het soms zinvol zijn om embryo’s te laten ontstaan voor onderzoek. Aan een embryo van enkele dagen oud kunnen bijvoorbeeld allerlei details van het aan- of uitschakelen van genen worden onderzocht. Deze subtiele epigenetica kan veranderen door onderbreking van de normale bevruchting en door laboratoriummanipulaties met eicellen, zaadcellen, of embryo’s. De Wert: „Voor het maken van een embryo is altijd een eiceldonor nodig. Het spreekt vanzelf dat de belangen van donoren adequaat moeten worden beschermd.”

De ivf-techniek, ontstaan zonder embryo-onderzoek, had tot voor kort het ontstaan van meerlingen als gezondheidsprobleem. Door minder embryo’s tegelijk terug te plaatsen verdwijnt dat probleem, maar sinds kort is duidelijk dat enkele zeer zeldzame ziekten vaker voorkomen bij ivf-kinderen. Het gaat om ziekten die ontstaan door verstoorde epigenetische processen. Dondorp en De Wert benadrukken dat de kinderen die door de nieuwe technieken ontstaan eigenlijk levenslang gevolgd moeten worden.

Druk van patiënten en concurrentie tussen onderzoekers zorgen ervoor dat belangrijk veiligheidsonderzoek nog steeds niet gebeurt. De Wert: „Wetgeving is belangrijk, maar beroepsorganisaties hebben ook invloed. Voor vruchtbaarheidsartsen is dat in Europa de ESHRE. Die maakt gezaghebbende richtlijnen en kan pressie uitoefenen. Het ESHRE-bestuur vindt dat genoeg preklinisch onderzoek moet plaatsvinden.”

Het artikel van Dondorp en De Wert dat deze week verscheen is geschreven na een lezing die Wybo Dondorp vorig jaar zomer gaf op het jaarlijkse congres van de ESHRE.