Arme musea: te laat, te weinig

De regering heeft zich voorgenomen om 200 miljoen te bezuinigen op de kunsten. Vanuit de podiumkunsten is al stevig geprotesteerd dat de voornemens van de staatssecretaris van Cultuur exorbitant zijn. De 28 rijksmusea hielden zich nogal stil. Het leek of het hun, als rijkshoeders van Nederlands erfgoed, niet aanging. Inmiddels is gebleken dat zij iets minder dan een derde van hun huidige subsidie van 100 miljoen euro zullen verliezen. De criteria zijn bekend: artistieke kwaliteit, bezoekersaantallen, het waarborgen van eigen inkomsten, het interesseren van jongeren, de (inter-)nationale betekenis van het museum.

De Nederlandse Museumvereniging geeft nu dan tegengas met een onderzoek, een „handvat’’ voor de staatssecretaris. De vereniging liet niet peilen wat de de rijksmusea betekenen voor het culturele klimaat van Nederland. Onderzocht werd niet het effect van hun prestige in maatschappelijk, internationaal en/of cultuurhistorisch opzicht. Dat wordt bekend verondersteld of men dacht dat die kerntaken de staatssecretaris niet interesseren. Er werd gekozen voor onderzoek naar het economisch belang van de musea. De bijvangst wordt gepresenteerd als hoofdzaak: de verhouding tussen de kosten en de baten werd opgemaakt, in termen van winst voor de welvaart.

De podiumkunsten gingen de musea voor met zulk onderzoek, de uitkomsten zijn vergelijkbaar. De musea leveren Nederland : tussen de 202 miljoen en 370 miljoen euro per jaar op. Ze stimuleren de infrastructuur, de horeca en de waardering van de locatie, ze zijn goed voor stijgende huizenprijzen. Een aantal bevordert het toerisme, met navenante inkomsten. Heel mooi. Maar een mager antwoord, als het gaat om de vraag of ze rijkssteun verdienen.

De voorzitter van de Vereniging van Rijksgesubsidieerde Musea pleit intussen voor een „inhoudelijk beter rijksmuseaal bestel”. Hij heeft het over betere coördinatie en samenwerking tussen de musea. Dat konden de musea tien jaar geleden ook regelen. Bovendien blijven museumdirecties vooral bezig met zichzelf. Sluiten ze de rijen? Nee, ze kijken naar de criteria en zeggen manmoedig: „Wij zitten goed”.

Er zal bezuinigd worden. Kaasschaaf of complete subsidies wegsnijden? Het laatste lijkt de beste optie. Het betekent pijn, want sluiting voor een aantal musea, verlies van expertise, herverdeling van collecties die in depots belanden. Maar her en der gelijkelijk snoeien betekent voor iedereen minder eigen tentoonstellingen, minder publieksbereik, minder research, minder wetenschappelijke ontwikkeling en minder op internationaal aanzien. Zulke terugval van kwaliteit over de hele linie moet worden vermeden.