Meneer Mellors' hellevaart

David Pefko: Het voorseizoen. Prometheus, 416 blz. € 19,95

‘I’m God’s lonely man,’ zegt Travis Bickle (Robert De Niro) in de film Taxi Driver. Het is de laatste zin van het motto van David Pefko’s nieuwe roman, en niet zonder reden. Ook de hoofdpersoon van Het voorseizoen wordt verpletterd door eenzaamheid en geobsedeerd door het verlangen om goed te doen. Ook hij wil een jonge prostituee redden uit de klauwen van de boze buitenwereld, en ook hij maakt daarbij meer kapot dan hem lief is. Bovendien voelt hij zich verwant met de dolgedraaide taxichauffeur uit de klassieke jarenzeventig-film van Martin Scorsese; in gedachten praat hij met hem en vraagt hij zich voortdurend af: Wat Zou Travis Doen?

David Pefko (1983) is de tweede Nederlandse schrijver in korte tijd die Taxi Driver als leidmotief gebruikt. Maar anders dan A.H.J. Dautzenberg, die in Samaritaan de hoofdpersoon laat praten met die nier die hij wil doneren (‘You talkin’ to me?’), doet hij het niet om het komische effect. Het voorseizoen is een bloedserieuze roman. De ik-figuur, Steve Mellors, is beklagenswaardig op het zielige af: een kale politierechercheur van 130 kilo met naar eigen zeggen twee passies, porno en eten. Zijn vrouw heeft hem verlaten voor een loodgieter, en hij kwijnt vretend en masturberend weg in zijn troosteloze flat in Leicester. Als hij één keer het elektronisch bordeel voor een echte afwerkplek verwisselt, valt hij als een blok voor de Roemeense Anca – waarmee zijn leven een aflopende zaak wordt. Zoals hij zelf aan het eind van hoofdstuk 50 bedenkt: ‘Het aftellen is begonnen.’ (Waarna de hoofdstuknummering inderdaad terugloopt naar nul.)

De lezer wordt meegesleept op de Werdegang van Mellors, die eerst moet toezien hoe zijn collega’s de Roemeense peeskamers oprollen en vervolgens hoe zijn vriendinnetje in het huis van bewaring door een agent wordt verkracht. Hij zinkt weg in een moeras van leugens en gezondheidsproblemen, en als hij zich er eindelijk toe zet om als getuige op te treden in de zaak die Anca tegen haar verkrachter aanspant, keert de hele wereld zich tegen hem. Mellors trekt zich terug op een Grieks eiland, aanvankelijk nog in de hoop dat ‘de mensen zullen zeggen: “Dat was Steve Mellors, een doodgoede man die verkeerde keuzes maakte”.’ Maar het loopt uit op: ‘Daar heb je de rechercheur die dacht dat hij Travis Bickle was.’

Pefko neemt zijn tijd om de hellevaart te boekstaven, inclusief herhalingen, (overbodige) uitweidingen en een uitgebreid rechtbankdrama, dat ongetwijfeld de reden was om de roman in Engeland te situeren. Het voorseizoen kenmerkt zich door een wijdlopigheid waaraan ook Pefko’s debuut Levi Andreas (2009, 376 blz.) mank ging. Er kan geen traan op de tompouce vallen, of we krijgen de hele huilbui in extenso – en er wordt wat afgehuild in de roman. We willen best weten dat Mellors een onhandige en schijnbaar weerzinwekkende zielepoot is, maar als je vierhonderd pagina’s met zijn vreetbuien, zijn drankmisbruik en zijn vreugdeloos gesjor wordt geconfronteerd, begin je net als zijn ex-vrouw te snakken naar een ongecompliceerde siergootspecialist.

Er is meer dat je niet verwacht – en eerlijk gezegd ook niet wilt tegenkomen – in de tweede roman van een veelbelovend schrijver. Stilistische slordigheden, zoals een zinnetje over de kans ‘dat je je leven moest bekopen met zo’n arrestatie’, en Mellors’ vertwijfelde uitspraak ‘dat er tussen mijn plannen en mijn daden een onoverbrugbare blokkade zit’. Of plotwendingen waarvoor je je ongeloof te veel moet opschorten. Zo praten Mellors en Anca diepgaand met elkaar in lange volzinnen, zonder dat duidelijk is gemaakt dat het Roemeense hoertje kan bogen op een enorme talenknobbel. En de advocaat van Anca (en gaandeweg ook Mellors) is een karikatuur van een man die de ene blunder aan de andere rijgt.

Het probleem bij Het voorseizoen is niet dat je niet wilt lezen over de ondanks alles sympathieke Mellors, met zijn atypische liefde voor tuinieren en zijn gedoemde pogingen om een beter mens te worden (‘Niet aan eten denken, niet doen, het goede doen, het goede doen!’). Maar met 100 bladzijden minder had het verhaal ook verteld kunnen worden. Pefko had de spankracht beter in de gaten moeten houden, en had ook meer aandacht moeten besteden aan het oppeppen van de doorgaans nogal vlakke stijl. Nu laadt hij de verdenking op zich dat hij overhaast een onvoldragen opvolger van Levi Andreas wilde publiceren; en dat hij meer met zijn hoofdpersoon gemeen heeft dan goed is voor een schrijver: ‘Ik ben me bewust van mijn fouten, en probeer nu het onvermijdelijke goede te doen, koste wat het kost, althans in grote lijnen, want ik ben niet echt bereid pijn te lijden, het leven is al moeilijk genoeg.’