Hulpeloos en op hol geslagen

Joshua Ferris: De naamlozen. Vertaald door Peter Abelsen. Anthos, 319 blz. €19,95.

Lopen, en moeten blijven lopen tot je van uitputting omvalt en in slaap kortstondig rust vindt, tegen een boom, in een portiek, achter een container. In helse koude zodat je tenen en vingers afvriezen en je alleen maar kunt hopen dat je vrouw je vindt, maar dat wordt steeds problematischer omdat je actieradius al maar groter wordt en je mobiele telefoon verdwenen is omdat je die, met je kleren, hebt weggeworpen zijnde een te grote belasting op je dwangmatige tochten.

Tim Farnsworth heeft een aandoening die bij medische experts niet bekend is en dus ook niet erkend wordt. Is het biologisch bepaald, is het een hersenstoornis, is hij gewoon gek?

Het vermoeden van dat laatste wordt steeds groter op het New Yorkse advocatenkantoor waarvan hij een van de succesvolle partners is, maar waar ze hem, als hij zo’n dwangmatige loopaanval krijgt, met steeds grotere frequentie missen bij cruciale zittingen en besprekingen. ‘Een hulpeloze ziel in een op hol geslagen fysiologische trein, dat was hij – gedwongen om in bange afwachting door de voorruit van de locomotief te kijken.’

Noodpakket

De enige die zijn aandoening wel serieus móét nemen is Tims vrouw Jane die, door ervaring wijs geworden, een noodpakket met thermisch ondergoed, energierepen, een opblaaskussen en een gps heeft klaarstaan. Als de andere methoden, zoals vastketenen aan het echtelijke bed, ook geen oplossing blijken te zijn begint Tims aandoening een steeds grotere aanslag op hun huwelijksleven te worden.

Diverse artsen buigen zich over de aandoening, Tim wordt zelfs onderwerp van een studie in een medisch tijdschrift waarmee hij op zijn door rat-achtige collega’s bevolkte kantoor rondzwaait om te bewijzen dat hij zich niet aanstelt. Maar naarmate de aandoening zich verdiept, in steeds heviger vorm terugkeert, wordt de schizofrene aard ervan steeds duidelijker gesuggereerd. Wat in eerste instantie op een wel heel heftige vorm van obsessive compulsive disorder lijkt, wordt naarmate het boek vordert steeds meer een oorlog tussen twee stemmen binnen Tims hoofd, de een die hem beveelt en dwingt de pas erin te zetten, de ander die smeekt om rust en een normaal bestaan.

Ferris dient gecomplimenteerd te worden met het lef waarmee hij een wel heel ongebruikelijk onderwerp heeft gekozen voor zijn tweede roman, die thematisch een gedurfde stap verder is dan zijn hilarische debuut Zo kwamen we aan het eind, een zedenschets over de dotcomcrisis. Hij weet de lezer goed vast te houden, zelfs wanneer Tims aandoening van cyclische aard blijft en zijn zwerftochten steeds meer van hetzelfde lijken te worden, alleen grimmiger, langduriger en, uiteindelijk, dodelijker.

Slot

Het is in die fase dat het erop lijkt dat de auteur zich niet echt goed raad weet met de vraag hoe een slot aan het boek te maken. Een paar keer wordt gesuggereerd dat zijn loopdrang bezworen is, maar als dat niet zo blijkt te zijn wordt de lezer geacht mee te gaan in de onverklaarbaarheid van het waarom. De roman had gemakkelijk na deel 2 kunnen eindigen en was dan een feelgood leeservaring gebleven, een eerbetoon aan doorzettingsvermogen en echtelijke trouw. Maar Ferris heeft ervoor gekozen zijn hoofdpersoon de hele beker leeg te laten drinken en de lezer dat ook te laten doen, er is geen soelaas, uiteindelijk loopt Tim het hele continent over, ‘een figuur waaraan niemand meer voorbijreed zonder te kijken. Mager en getaand mankte hij langs snelwegen, als een middeleeuwse bedelaar die van de ene hardvochtige stad naar de andere vluchtte.’

Dat het boek niet helemaal is geslaagd heeft daarmee te maken, maar ook met de omstandigheid dat Tims vrouw en dochter maar niet echt tot leven willen komen. Jane raakt op een hopeloze manier aan de drank en bezwijkt uiteindelijk aan kanker – een zwaktebod van een auteur die niet echt goed raad weet met de ontwikkeling van zijn verhaal. Hun dochter Becka maakt een interessanter ontwikkeling door, van veel te dikke en even weinig liefdevolle als liefdevol door haar ouders bejegende tiener, tot empathische dochter. Dat gebeurt vanaf het moment dat ze haar vader op een van zijn tochten achterna is gelopen – en dus ineens beseft dat hij zich niet aangesteld heeft al die tijd.

De moordzaak waarmee Tim zich als een van zijn laatste klussen op zijn advocatenkantoor bezighoudt, en die als een verleidelijke dikke extra draad door de vertelling heen geweven wordt, blijft onopgelost – en ook dat heeft zo te zien de bovenvermelde oorzaak.

Wie beslist een diepere laag in Ferris’ tweede roman wil zien zou hem kunnen interpreteren als een metafoor voor het Amerikaanse bestaan, rusteloos, altijd onderweg, if you can’t move up you can always move on. Dat lijkt me, eerlijk gezegd, te veel eer – al heeft het boek onmiskenbare verdiensten en blijft Ferris een schrijver om in de gaten te houden.