Een liedje moet staan

Kaandorp won de prijs voor beste theaterlied van het jaar.

‘Lente’ gaat over de moeder van een puberdochter met liefdesverdriet. „Een mooi nummer, dat geef ik toe.”

13-10-2003, HAARLEM. BRIGITTE KAANDORP IN DE VOORSTELLING LUSTRUM. FOTO BAS CZERWINSKI
13-10-2003, HAARLEM. BRIGITTE KAANDORP IN DE VOORSTELLING LUSTRUM. FOTO BAS CZERWINSKI

„Ze hebben mij echt moeten overhalen om iets in te sturen. Ik heb dat jarenlang nooit gedaan, omdat ik er eigenlijk te trots voor ben om op die manier naar een prijs te hengelen. Maar bij de Annie M.G. Schmidtprijs wordt nu eenmaal alleen gekeken naar liedjes die zijn ingestuurd.

„Nou goed, toen de vraag kwam of we wilden insturen, hebben we dat dus maar gedaan. Het is een prestigieuze prijs – en het is toch wel leuk die eens te winnen, als je al zo veel jaren liedjes maakt. Het beeldje van Annie, dat ik zondag kreeg, staat nu op mijn piano. Een mooi bezit”.

Brigitte Kaandorp won de Annie M.G. Schmidtprijs – de door het Amsterdams Kleinkunstfestival en Buma Cultuur ingestelde prijs voor het beste theaterlied van het jaar – met Lente, een nummer uit haar vorige programma Zó. Het bezingt de machteloosheid van een moeder wier puberdochter aan onpeilbaar liefdesverdriet lijdt: „Als ze ’s middags thuis komt in de druilerige regen/ en ze laat ’r fiets gewoon maar vallen in de heg/ ze smijt haar boeken in een hoek, een schop ertegen/ dan weet ik al genoeg/ maar ik kijk wel uit met wat ik zeg/ hij heeft het uitgemaakt/ ik heb het aan zien komen...”

Kan zo’n liedje alleen worden geschreven door iemand die zelf moeder van een puberdochter is?

„Toen ik het schreef, was zoiets nog niet gebeurd. Mijn dochter was zelfs boos toen ze het hoorde. Als het gebeurt, zei ze, dan maak ik dat zelf wel uit. Intussen is het trouwens gebeurd. Ja, misschien moet je een moeder zijn om te kunnen schrijven over de machteloosheid van een moeder als je kind verdriet heeft. Het is een mooi nummer, dat geef ik toe.”

Veel van uw liedjes staan op eigen muziek, maar ‘Lente’ werd gecomponeerd door Theo Nijland. Wanneer klopt u bij hem aan?

„Soms heb ik wel een vage melodie in mijn hoofd, maar dan blijf ik steken. Mijn compositorische bereik is beperkt. Theo kan met drie slimme akkoorden iets veel mooiers maken. Ik ga met een tekst naar hem toe, dan werken we aan een melodie en dan inspireert hij mij weer tot nieuwe regels die het nummer nog beter maken”.

Komen bij een nieuw programma de liedjes het eerst, of de conferences?

„De liedjes. Ik ben altijd weer blij als ik er een paar heb. Het geklep er tussendoor komt wel; dat kan ik tijdens de try-outs boetseren. Eén zinnetje is vaak genoeg om tot een ongerijmde conference te komen. Maar de liedjes moeten klaar zijn. Die kun je niet ter plekke gaan verzinnen”.

Is het elke keer weer de vraag of er muzikanten in de voorstelling zullen meespelen?

„Ja. Zo’n clubje is wel gezellig, maar ik vind muzikanten op het podium toch een probleem. Dan zitten ze op hun beurt te wachten en moeten intussen naar conferences luisteren die ze al honderd keer hebben gehoord. Daarom speel ik mijn nieuwe programma Cabaret voor beginners toch maar weer lekker in mijn eentje, ondanks mijn nogal basale pianospel.”

Komt er ooit een programma waarin u louter liedjes zingt?

„Vorig jaar heb ik een paar keer opgetreden in een programma van meesterpianist Cor Bakker. Daar zaten volle zalen alle teksten mee te zingen. Die liedjes van mij hebben blijkbaar bij veel mensen in allerlei fasen van hun leven een rol gespeeld. Dat verraste me. En het bracht me op het idee om later, aan het eind van mijn carrière of zo, alleen maar liedjes te zingen. Net als Conny Stuart dat ooit heeft gedaan, leunend tegen de vleugel.”