De schroothoop wordt goudmijn

Jonge architecten als 2012 en Elmo Vermijs gebruiken afgedankte materialen voor hun architectuur. Een dak van autobanden, een speeltuin van windturbines.

De keukenladen zijn gemaakt van afgedankte billboards, de wanden van de badkamers zijn koffiefilterhouders die tot een gladde zwarte kunststof zijn gemalen en geperst. De armaturen van de spots die de schilderijen verlichten zijn metalen baleinen van kapotte paraplu’s. De constructiebalken waren ooit onderdeel van een textielmachine en de gevels zijn bekleed met de houtjes van afgedankte haspels van een Twentse kabelfabriek.

Dit woonhuis in Enschede, Villa Welpeloo van 2012Architecten, is het uithangbord van een nieuwe generatie jonge architecten die afval op waarde weet te schatten als bouwmateriaal. Met hun gebouwen – sommige tijdelijke, andere permanent – zetten ze de conventionele ideeën over wat waardevol of waardeloos is op z’n kop. Bureaus als 2012Architecten in Rotterdam, Studio Elmo Vermijs in Koog aan de Zaan en het Haagse Refunc werken allemaal met materiaal dat ze van de vuilnis redden en opnieuw tot leven brengen. Van schroothoop tot goudmijn.

In de beeldende kunst is het objet trouvé al langer een bekend fenomeen – Marcel Duchamp schoof al in 1917 een pispot als kunstwerk naar voren. Maar hen ging het om commentaar op de kunstwereld zelf. Deze afvalarchitectuur heeft eerder een maatschappelijke agenda: een antwoord zoeken op vervuiling en verspilling door alle materialen opnieuw op hun bruikbaarheid te bekijken. Bij de productie van auto’s wordt – anders dan bij gebouwen – al van tevoren rekening gehouden met het hergebruik van wel 95 procent van de materialen.

„Afval is kansen”, zegt Denis Oudendijk van Refunc. Voor de grap, maar met een serieuze ondertoon noemen hij en zijn compagnon Jan Körbes Refunc een „bureau voor economische levensduurverlenging”. „Wij gebruiken van alles voor functies waarvoor het niet gemaakt is, maar waarvoor het wel geschikt is. Een dak van autobanden, een hotelkamer van een reddingscapsule. We maken nieuwe producten van oude materialen, zonder bouwtekening of handleiding.”

Het werk van Refunc houdt het midden tussen architectuur en installatiekunst. Voor een recyclingbedrijf in Litouwen maakten ze een muur van, toepasselijk genoeg, oude ijskasten, ‘Return of the Fridges’ geheten. Refunc werkt ook vaak voor festivals, zoals de afgelopen vijf jaar voor Lowlands waar ze grote lichtinstallaties maakten van 240 oude watertanks die van binnenuit met feeërieke kleuren werden verlicht. „Het is niet écologisch, het is gewóón logisch”, zegt Oudendijk. „Ja natuurlijk zit het hergebruik ons in het bloed, alleen gooien we er geen dikke groene saus overheen.”

Een tuinhuis van Refunc in Den Haag, gemaakt van het hout van het tuinhuisje dat er eerst stond en bekleed met stroken autoband – vandaar de naam ‘Maison Gomme’ – is opgenomen in het boek Rematerial: From Waste to Architecture. De Spaanse auteurs Alejandro Bahamón en Maria Camila Sajinés hebben voorbeelden bij elkaar gebracht uit de hele wereld, van Bogotá tot Baskenland en van Amerika tot Australië, van bouwsels van restmaterialen. Architectuur van glas en afvalhout, perzikpitten, autobanden en modder. „De bouw is een van de meest vervuilende bedrijfstakken ter wereld”, zeggen de auteurs. „Dus kunnen hedendaagse architecten een rol spelen bij de ingenieuze transformatie van afval in structuren die nuttig, fantasierijk en mooi zijn.” Zij merken op dat het werken met bestaand materiaal het hele ontwerpproces omkeert. „In de conventionele manier van werken tekent de architect een gebouw en haalt de materialen bij de vertrouwde leveranciers. Maar voor gebruikte materialen zijn geen bekende leveranciers. De architect moet eerst materialen vinden en daar dan iets mee ontwerpen.”

Zo ging het bijvoorbeeld bij de bouw van de villa in Enschede. Jan Jongert, Jeroen Bergsma en Césare Peeren van 2012Architecten schreven alle bedrijven aan binnen een bepaalde radius met de vraag of ze restmateriaal hadden; net als ons voedsel moeten onze bouwmaterialen tegenwoordig zo lokaal mogelijk zijn. Ze kwamen uit op de houten haspels van de Twentse kabelfabriek. Ingrid Blans, die samen met haar echtgenoot opdrachtgever en bewoner is: „Eerst zei de fabriek: je mag ze hebben maar je moet ze wel zelf komen halen. Maar gaandeweg kregen ze er lol in en gingen ze op een gegeven moment zelf hier in de wijk bezorgen.”

Villa Welpeloo staat in Roombeek, de wijk die in 2000 door de vuurwerkramp grotendeels met de grond gelijk werd gemaakt. Daar kwam een hele nieuwe wijk voor terug met veel grote huizen van particuliere opdrachtgevers. Met zijn grote glasvlakken en modernistische vormen ziet Villa Welpeloo er strak en professioneel uit, het is geen nadrukkelijke manifest voor een andere bouw- en zienswijze – maar het steekt wel af bij de buren. Blans: „Ik ken Jan Jongert al langer en ik wist dat hij als student een huis had gemaakt van autobanden gevuld met aarde. Dat wilden we in ieder geval niet. We wilden een stoer huis dat uitnodigend zou zijn, maar niet protserig.”

Om het opsporen van lokale bouwmaterialen te vergemakkelijken, is 2012 ‘oogstkaarten’ gaan maken. Jan Jongert: „Het idee is dat er bij elk project zo’n kaart wordt gemaakt zodat niet alleen wij, maar ook anderen weten wat er waar te halen is.” Nog beter: ieder nieuwbouwproject moet een ‘materialenboek’ bijhouden, zodat bij sloop of renovatie bekend is wat erin zit. „Bij jam of spaghettisaus is het vanzelfsprekend dat de ingrediënten op de verpakking staan, waarom niet bij een gebouw? Die simpele kleine schakel ontbreekt nu.”

2012 heeft wel meer mooie woorden toegevoegd aan de nieuwe woordenschat van de afvalarchitect, zoals ‘superuse’. Anders dan ‘reuse’, waarbij materialen worden hergebruikt met dezelfde functie als voorheen, worden ze bij superuse voor iets heel anders gebruikt. Een mooi voorbeeld van superuse was het tentoonstellingspaviljoen ‘Recycloop’, van oude roestvrijstalen wasbakken die recht de lucht in staken.

Ook de espressobar voor Bouwkunde aan de TU Delft is gemaakt volgens de principes van superuse: die bestaat uit de gevelpanelen van de gesloopte Zwarte Madonna – het enige wat er uiteindelijk van het omstreden gebouw van Carel Weeber in Den Haag is overgebleven. In de Rotterdamse volkswijk het Oude Noorden heeft 2012 de speeltuin ‘Wikado’ gemaakt van vijf wieken van windturbines. Het uiteinde van één ervan dienst als koffietafel voor de ouders. Kinderen klimmen op en over de aerodynamisch gevormde fragmentenen en steken hun kop in de ‘koepel’ die van de ruiten van de cockpits van twee F16’s is gemaakt.

Is hergebruik wel efficiënter? Alles moet immers worden schoongemaakt, of verwerkt, of op maat gemaakt, terwijl de productie van nieuwe materialen gestandaardiseerd is en daardoor wellicht minder energie kost. In een debat begin dit jaar veegde Michael Braungart, een van de stichters van de Cradle-toCradle-beweging, 2012 de mantel uit. Want volgens Braungart heeft hergebruik alleen zin als het om materialen gaat waar het milieu niet onder lijdt. Jeroen Bergsma van 2012 riposteert: „Windturbines worden steeds sneller vervangen. Ze versnijden en als speeltoestellen gebruiken lijkt me beter voor het milieu dan verbranden. Want dat is het alternatief.”

De milieuwinst is groter als je in één keer grote hoeveelheden gebruikt materiaal op de kop kunt tikken – zoals met de gevelpanelen van de Zwarte Madonna. Jongert, die docent is aan de nieuwe mastersopleiding ‘Inside’, over interieurontwerp aan de kunstacademie in Den Haag: „De milieuwinst wisselt ook per soort materiaal. Staal kost veel energie om te produceren, dus als je dat hergebruikt win je veel meer dan met het hergebruik van bijvoorbeeld hout.” Tot de bouw van Villa Welpeloo werkte 2012 vooral intuïtief wat betreft de milieuwinst; nu hebben ze een milieukundige in de arm genomen die dat voor iedere project berekent. Jongert: „Onze belangstelling strekt zich inmiddels uit van bouwmaterialen naar water, energie, voedsel, kennis en verkeer.”

In de kilte van de voorjaarsochtend is de warmte uit de snorrende houtkachel in de studio van Elmo Vermijs zeer welkom. Hij werkt in een oud fabrieksgebouw van Honig in Koog aan de Zaan; een eeuw geleden stonden hier nog molens die houtzagerijen aandreven en pigmenten voor verf vermaalden. Vermijs studeerde af aan de Rietveld als architectonisch ontwerper; zijn projecten houden het midden tussen architectuur, beeldende kunst en ontwerpen voor de openbare ruimte. Ze hebben ook een sterke sociale dimensie: hij wil dat de gebruikers ook bij de (op)bouw betrokken zijn.

Hij studeerde af met een ‘volksbouwkeuken’, een mobiele keuken van kratten die op de Salone del Mobile in Milaan te zien was. „Het ziet er misschien simpel uit, al die kratten aan elkaar, maar er zit een enorm systeem en logistiek achter.” Hij gebruikt kratten als modules, die met wiggen en planken aan elkaar zitten. Zijn volksbouwkeuken verscheen als een soort guerrilla-installatie op allerlei ongebruikelijke plekken: onder viaducten, in bouwputten, in leegstaande gebouwen.

Voor de manifestatie ‘Eetbaar landschap’ maakte Vermijs in het bezinkbassin van de oude waterzuivering van Tilburg ook een tijdelijke keuken, met een kap van riet die met spanbanden van oude brandweerslangen aan de constructie was vastgemaakt. De zitbanken zijn de bestaande betonnen balken van de bezinkbak, die nu als wateropvang bij heftige regenval wordt gebruikt. „Het thema van al mijn werk is mensen bij elkaar brengen, en eten is vaak een van de middelen daartoe.”

Elmo Vermijs is ontwerper en maker tegelijk. Zijn werkplaats ligt ook vol gereedschap en grote stukken hout. „Vorig jaar heb ik voor de Sloterplas in Amsterdam een podium gemaakt waar mensen activiteiten op het water konden organiseren. Ik wilde een herkenbaar beeld maken en het werd een vlot van boomstammen van vijftig vierkante meter. Er kunnen wel vijftig mensen op. Het kan een drijvend dorp worden, met een camping erop, of een ring voor een thai boxinggala, of een harmonieorkest.” Het ligt nog steeds in de plas en is te huur.

De materialen die Vermijs gebruikt, zijn volgens hem een logisch vervolg van het verhaal dat hij wil vertellen: je ziet de geschiedenis van het materiaal en je hebt er daardoor meer relatie mee dan met nieuw, anoniem materiaal. Voor het Makersfestival in de broedplaats Garage Notweg, in Amsterdam-Osdorp, maakte hij in samenwerking met Studio Dirk Overduin afgelopen najaar een serie tafels van een berg sloophout. „Alles wat je nodig hebt zijn geduld en wat ik noem ambachtstijd. Hergebruik is herwaardering.”

Zal superuse ooit de gangbare bouwpraktijk worden? Nee, zegt Jan Jongert van 2012, „maar het wordt wel vanzelfsprekender. Je merkt het in het onderwijs, de nieuwe generatie ontwerpers groeit hier mee op en vindt het al heel gewoon.”

Denis Oudendijk heeft inmiddels een eigen verzameling aangelegd van potentiële bouwmaterialen. „Mijn ideaal is een eigen dorp”, zegt hij op een toon waarvan je niet weet of die serieus is. „Ik heb al vijf reddingscapsules, acht SRV-wagens, vier telefooncellen en een stalen tuinhuis uit de jaren dertig. Dan noem ik het een reservaat voor mobiele architectuur.”