Gefascineerd door de schaamte

Louis Tas analyseerde de psychische gevolgen van de Tweede Wereldoorlog en de besognes van beroemdheden in Amsterdam-Zuid.

Psychotherapeut Louis Tas Foto NRC H'blad, Maurice Boyer 981001

Zijn hele leven is Louis Tas gefascineerd geweest door schaamte. Naar dat wat mensen het liefste en het diepste wegstoppen. „Schaamte is het gevoel dat je in de ogen van anderen compleet waardeloos bent en dat ze daarin nog gelijk hebben ook”, zo definieerde de psychotherapeut het. Als overlever van concentratiekamp Bergen-Belsen vroeg Tas zich af hoe het kan dat mensen zich schuldig voelen omdat ze de wandaden van hun beulen hebben overleefd. Niet de slechteriken, maar juist mensen die goed waren geweest in de oorlog schaamden zich achteraf dat ze maar zo weinig hadden gedaan, zei hij in De Groene Amsterdammer.

Jarenlang discussieerde Tas over dit onderwerp met vrienden en collega’s in wat ze het ‘schaamteclubje’ noemden. „Volgens Louis was het belangrijk om schaamte te herkennen bij patiënten, anders had de therapie geen kans van slagen”, zegt bioloog Tijs Goldschmidt, die met psychiater Andries van Dantzig, psycholoog Nico Frijda en socioloog Joop Goudsblom regelmatig aanschoof. Goldschmidt: „Tas kon ongelooflijk geconcentreerd nadenken en gaf dan plotseling heel origineel commentaar. Dan zei hij dingen als: bewondering is gedecafeïneerde afgunst.”

Afgelopen donderdag overleed de Amsterdamse psychotherapeut en psychoanalyticus Louis Tas. Hij werd negentig jaar.

Tas was de zoon van psychiater Jacques Tas en schilderes Frieda Herzberg. In 1943 werden zij gearresteerd en via Westerbork naar concentratiekamp Bergen-Belsen gedeporteerd. Ze overleefden alle drie de oorlog. Ook zijn ondergedoken zuster bleef in leven.

In 1947 publiceerde Tas Dagboek uit een kamp, onder pseudoniem Loden Vogel. Hij vertaalde Sartres Magie en emotie (1967). Vanaf 1958 had hij een eigen praktijk in Amsterdam-Zuid, waar hij tientallen bekende schrijvers en kunstenaars behandelde. Journalist Ischa Meijer gaf hoog van hem op. Tas verdiepte zich in de psychoanalyse, die haar plaats in de Nederlandse psychiatrie toen nog moest bevechten. Het ging Tas aan het hart dat Freuds behandelmethode de laatste jaren langzaam weer terrein moest prijsgeven.

Hij ergerde zich aan de hernieuwde medicalisering van de psychiatrie. „Psychosen worden nu weer als hersenziekten beschouwd, of als stofwisselingsverschijnselen of erfelijke aandoeningen. Ze worden zogenaamd verholpen met middeltjes”, zei hij geïrriteerd in De Groene Amsterdammer. Tas was een voorstander van ‘pillen én praten’. Hij bleef patiënten behandelen tot hij, achter in de tachtig, alzheimer kreeg. „Hij zei: ik heb die ziekte waar ik nu de naam van ben vergeten”, aldus Goldschmidt.

Tas ironiseerde zichzelf voortdurend, beaamt vriend en socioloog Abram de Swaan. „Hij kon met een uitgestreken gezicht hele uitdagende dingen zeggen. Hij stelde zich een treetje lager op, misschien wel omdat je het van onderop wat beter ziet. Maar Tas wás zijn vak, hij ademde zijn vak. Hij was een man die de hele dag door zat na te denken over de verborgen motiveringen van mensen.”

    • Laura Starink