Een wolvenkind

Op de anti-kernenergiedemonstratie, afgelopen zaterdag op de Dam, hoorde ik een jonge blueszanger. Hij zat in z’n eentje op het podium en begeleidde zichzelf met elektrische gitaar. Ik sloeg eerst weinig acht op hem, hij leek een pauzenummer tussen de optredens van de actievoerders. Maar na een minuut of vijf begon ik te merken dat hij in zijn pure gedrevenheid iedereen op deze middag overtrof. Hij zong rauw en recht uit het hart.

„Bedankt, Ralph de Jongh”, zei de ceremoniemeester.

Ach, was dat nou Ralph de Jongh. Ik hoorde vorig jaar voor het eerst van hem, in het tv-programma Café de Liefde van VPRO’s Bram van Splunteren, waar De Jongh en de zestien jaar oudere Mylène de la Haye vertelden over hun inmiddels voorbije relatie. „Vertedering, moedergevoel en lust” had ze voor hem gevoeld. Maar: „Je kunt niet met ’m leven, het is een soort wolvenkind, ongeremd.”

In dat programma zong hij een mooie song van eigen hand: ‘Ride and Sing’. In zijn stem hoorde je een verre echo van Mick Jagger, maar zijn muziek bleef veel dichter bij de pure blues dan destijds The Rolling Stones. Ik ben geen groot bluesliefhebber, het wordt mij al snel te eentonig, maar voor de intensiteit waarmee de betere blueszangers zingen heb ik groot respect.

Ralph de Jongh is zo’n zanger. Hij is in 1975 in Roosendaal geboren, maar hij klinkt als een reïncarnatie van al die grote Amerikaanse blueszangers van de vorige eeuw: Howlin’ Wolf, John Lee Hooker, Muddy Waters, Elmore James, Sonny Boy Williamson.

Op de website van De Jongh las ik dat ook Harry Muskee, de blueslegende uit Grolloo, zo’n gewaarwording kreeg toen hij hem voor het eerst hoorde, terwijl hij in een café naar een voorprogramma luisterde. „Ik verwachtte dan ook iemand uit Mississippi te zien, maar tot mijn verbazing zat een lange blonde jongen uiterst origineel slidegitaar en mondharmonica te spelen.”

Op YouTube zijn allerlei filmpjes met De Jongh te vinden die ik de liefhebber van harte kan aanbevelen. Het interessantst zijn de liveopnamen: De Jongh ergens in een lawaaierige kroeg in Emmen of Veendam waar aanvankelijk niemand op hem let als hij begint te zingen, de ogen al snel half gesloten terwijl hij toegroeit naar een trance waarin het lied volledig tot uitbarsting komt.

Om hem heen begint het geroezemoes langzaam te verstommen, er blijft nog wel iets van hangen, maar het hindert hem niet, hij lijkt het niet eens te merken, niemand kan meer door de muur van concentratie dringen die hij rond zichzelf heeft opgericht.

Als solist is hij op z’n best. Hij treedt ook met bands op, dit jaar nog op de televisie in De Wereld Draait Door, maar dan wordt hij opeens een gewone muzikant die niet bijzonder opvalt. Hij moet in zichzelf kunnen opgaan, niet gehinderd door de ego’s van andere muzikanten die ook aan hun trekken willen komen. Het is wachten op een tv-programma dat hem de kans geeft tien minuten lang live zijn smartelijke ziel te zoeken.

Hij is nu nog niet bekend genoeg, maar misschien hoort dat ook wel bij deze oermuziek en is Ralph de Jongh gedoemd tot zijn laatste dagen in obscure zaaltjes op het platteland voor vijftig mensen op te treden. Bram van Splunteren maakt straks een mooie documentaire over hem als hij blind en stokoud op het toneel staat te wapperen, Mylène de la Haye legt zijn slidegitaar dwars over zijn graf en huilt zo hartstochtelijk mogelijk.

    • Frits Abrahams