Dit is een artikel uit het NRC-archief

Economie

Academici worstelen met advieswerk voor Gaddafi

Fukuyama, Putnam en Barber. Het zijn niet de minsten die dictator Gaddafi hebben geadviseerd. Dani Rodrik, professor aan Harvard University, is de dans ontsprongen en diepte het dilemma uit.

De hoogleraar politieke economie heeft Saif al-Islam Gaddafi, de geleerde zoon van de dictator, wel ontmoet. Van een uitnodiging naar Libië te komen is het echter nooit gekomen. Reden: het klikte niet.

Rodrik sluit niet uit dat hij adviesklussen voor de Gaddafi’s had gedaan als hij was uitgenodigd, schrijft hij op opiniesite Project-Syndicate.org. Natuurlijk, met de wetenschap van nu zou dat onverstandig zijn. Gaddafi blijkt zijn eigen onderdanen te doden en zijn zoon steunt hem daarin. Allerminst liberale hervormers dus. Maar vóór de Arabische opstanden was het volgens Rodrik helemaal niet duidelijk dat het regime hiertoe in staat zou zijn. Bovendien, zo stelt Rodrik, is de gedachte dat Westerse academici zich moeten afkeren van dictators te betwisten. “Wereldwijd buitelen universiteiten over elkaar heen om relaties met China aan te knopen”, aldus Rodrik. “De meeste academici staan te springen om een ontmoeting met president Hu Jintao. Kritiek hierop is mij niet ter ore gekomen.”

Zelf adviseert Rodrik de Ethiopische premier Meles Zenawi. Simpelweg omdat hij denkt dat de gewone Ethiopiër beter wordt van zijn economische beleidsadviezen. De hoogleraar is zich ervan bewust dat Zenawi een omstreden reputatie heeft op het gebied van democratie.

De professor vangt het dilemma in een beknopte vraag: zou je water en voedsel leveren aan een terrorist als hij dat voor zijn gijzelaars nodig heeft? Ja, zegt Rodrik. Maar de keuze voor het “hogere doel” ontslaat je volgens hem niet van “morele schuld”. Toch moet je die “vuile handen” incalculeren, meent hij in navolging van de filosoof Michael Walzer.

Aan het duivelse dilemma valt daarom niet te ontsnappen, luidt Rodriks conclusie. “Als de adviseur gelooft dat zijn werk de onderdrukten van de leider ten goede komen, heeft hij de plicht zich niet terug te trekken.” Daarbij maakt hij overigens wel de kanttekening dat het zaak is om continu op die relatie te reflecteren. “Wees je bewust van de mate van morele medeplichtigheid.”