Rechtsfilosofen doen het heel voorzichtig

Kan één enkele morele positie de dilemma's van het moderne leven aan? Filosofen Ronald Dworkin en Martha Nussbaum claimen een oplossing te bieden, maar doen ze dat ook echt?

Ronald Dworkin: Justice for Hedgehogs. Harvard Belknap Press, 506 blz, €34,-

Martha Nussbaum: Creating Capabilities. Harvard: Belknap Press, 232 blz, €21,-

Van iedere burger de autonomie respecteren, maar hem tegelijkertijd beschermen – dat is de dubbele uitdaging van de moderne staat. Het eerste vergt een terughoudende, het tweede juist een actieve overheid; en het verenigen van die twee – schijnbaar conflicterende – principes is het doel dat Ronald Dworkin zich stelt in zijn laatste boek, Justice for Hedgehogs. Maar wie respect voor autonomie met bescherming wil verenigen, merkt al gauw dat deze principes met alle aspecten van het leven zijn verbonden. Ook Dworkin beseft dat maar al te goed. Zijn doel is dan ook niets minder dan de ‘unity of value’ aan te tonen – de ondeelbaarheid van de moraal.

Ronald Dworkin zou je met recht de ‘nestor’ van de Angelsaksische rechtsfilosofie kunnen noemen. De onlangs 79 jaar geworden Amerikaan wist al in de jaren zeventig het debat naar zich toe te trekken door de opvattingen van de rechtspositivist H.L.A. Hart aan te vallen. Sindsdien heeft hij niet minder dan 13 dikke monografieën en honderden artikelen, lezingen en bundels over alle actuele en eeuwige vragen van staatsrecht en politicologie gepubliceerd.

Dworkin stond aan de basis van de inmiddels populaire gedachte dat recht en moraal niet twee verschillende systemen zijn, maar intrinsiek met elkaar zijn verbonden. En dat individuele rechten (‘mensenrechten’) dan ook belangrijker zijn dan wat er ook maar letterlijk in de bestaande wetten zou kunnen staan. Rechten zijn volgens hem ‘troefkaarten’ waarmee eenieder in beginsel altijd het bestaande recht opzij zou moeten kunnen zetten. ‘Taking rights seriously’ noemt hij dat.

Dit betekende dat rechters, met Dworkin, meer en meer de ‘moraal’ (volgens tegenstanders: hun eigen opvattingen) gingen laten meewegen in hun lezing van ‘het recht’. Wat ‘redelijk’ of ‘billijk’ werd geacht, en niet wat de wet letterlijk voorschreef, ging steeds vaker de jurisprudentie bepalen. Toen de president van de Nederlandse Hoge Raad enkele maanden geleden in tv-programma Buitenhof aangaf dat hij het als zijn taak zag ‘rechtvaardigheid in het individuele geval’ te bewerkstelligen (en niet simpelweg de wet toe te passen), was dat bijvoorbeeld op Dworkin terug te voeren.

De titel van Dworkins nieuwste werk, Justice for Hedgehogs, verwijst naar The Hedgehog and the Foxeen beroemd essay van Oxford-legende Isaiah Berlin, waarin hij – enigszins gekscherend – stelde dat je twee soorten mensen hebt: ‘vossen’, die voortdurend nieuwe streken uithalen, en door nieuwe ideeën worden gegrepen; en ‘egels’ (hedgehogs), die daarentegen één groot idee hebben waarmee ze in de wereld staan (en zich de vos van het lijf weten te houden). Pluriformiteit tegenover uniformiteit.

We worden omringd door vossen, meent Dworkin. In de politiek, in de rechtswetenschap, in het denken over moraal: ‘de vos heeft de afgelopen decennia overheerst in de academische en literaire wereld’. Ten onrechte. Niet de vos, maar de egel heeft gelijk, stelt Dworkin. De traditionele tegenstellingen van de politieke filosofie, waar de vos zich altijd op beriep, ziet hij als schijntegenstellingen. Zoals het veronderstelde conflict tussen gelijkheid en vrijheid, dat erin zou bestaan dat meer gelijkheid altijd ten koste zou gaan van vrijheid en vice versa. Of het conflict tussen rechtsstaat en democratie, dat erin zou bestaan dat het recht de meerderheidswil zou inperken. Deze en andere dikwijls onoplosbaar geachte tegenstellingen probeert Dworkin in lange analytische hoofdstukken op te lossen: want de moraal is volgens hem uiteindelijk niet gespleten, maar één.

De eerste list van de vos die hij daartoe moet pareren betreft het scepticisme: kunnen we überhaupt wel spreken over ‘waardeoordelen’ die meer zijn dan slechts subjectieve opvattingen? Ja, concludeert Dworkin, al is het alleen maar omdat de stelling ‘dat er geen waardeoordelen zijn’ net zo goed een waardeoordeel impliceert. Dat leidt dan tot het thema ‘interpretatie’: hoe valt te zeggen dat de ene interpretatie – bijvoorbeeld van een gedicht van Yeats of van een grondwettelijke bepaling – meer ‘waarheid’ bevat dan een andere? Het antwoord hierop is complexer. Dworkin erkent dat de verscheidenheid aan interpretaties eindeloos is, maar constateert niettemin dat het absurd zou zijn wanneer een rechter zou zeggen dat zijn veroordeling van een verdachte ook maar ‘een opvatting’ is. De wereld van het recht werkt dus met een ‘interpretatieve waarheid’.

Nu deze twee hobbels genomen zijn, zet Dworkin zich ertoe om de eeuwige dilemma’s van ethische, morele en politieke aard tot een oplossing te brengen. Hij kan er geen genoeg van krijgen zijn lezers morele puzzels voor te leggen. Stel: een bevriende collega vraagt naar je mening over een boek dat hij heeft geschreven, en je vindt het maar niks. Hoe pak je dat aan? Of: te veel mensen bevinden zich op een reddingsboot. Als er niet snel een passagier overboord gaat, zal de hele boot zinken. Hoe te bepalen wie er af moet? Dworkin wijst stemmen bij meerderheid af. Het zou beter zijn, zo betoogt hij, om lootjes te trekken. Wellicht moeten de regels omtrent de loterij wel eerst via stemming worden vastgesteld.

De eruditie en analytische kracht van Dworkin zijn indrukwekkend. Toch is onduidelijk voor wie hij dit boek nu precies schrijft. Terwijl voor vakgenoten maar weinig nieuwe inzichten worden aangedragen, zijn de paginalange afwegingen voor het algemene publiek waarschijnlijk niet te volgen. Evenmin lijkt Dworkin te slagen in zijn ambitieuze einddoel: het ontstijgen van het morele conflict dat deze dilemma’s beheerst. Zijn pretentie dat het conflict van de voorgelegde morele puzzels na zorgvuldige ‘interpretatie’ daadwerkelijk verdwijnt (en de vos de aftocht moet blazen), maakt hij niet waar.

Zo stelt Dworkin met betrekking tot het martelen van terroristen: ‘In dergelijke situaties is er geen moreel conflict, want de moraal vraagt van ons dat we geen veiligheid in naam van eerloosheid verwerven’. En na een zeer intelligente overdenking van de dilemma’s rondom abortus, concludeert Dworkin dat de kwestie uiteindelijk niet maatschappelijk, maar persoonlijk is. Door het morele conflict aldus te ‘interpreteren’ als ‘persoonlijk dilemma’, meent hij vervolgens te kunnen stellen dat het ‘aan de vrouwen zelf [moet] worden overgelaten’.

Als de vos echter vraagt waarom de moraal niet ook van ons vraagt onschuldigen te beschermen tegen terroristische aanvallen, of waarom abortus niet ook een maatschappelijk vraagstuk is, weet Dworkin daar onvoldoende antwoord op te geven. Zijn antwoord dat ‘wij allen, moslim, jood of christen, atheïst of fanaticus – staan voor de onvermijdelijke uitdaging om ons leven te leven, onze dood te ondergaan, en onze waardigheid te behouden’, is te veel een gemeenplaats. Dat we zouden moeten ‘praten niet over wat ons verdeelt, maar over wat we met elkaar gemeen hebben’, blijft te abstract.

De nieuwe publicatie van Martha Nussbaum, Creating Capabilities, steekt hier verfrissend tegen af. Nussbaum is al evenzeer zo’n nestor van het New England-establishment in de VS. Ze doceerde jarenlang aan Harvard en schreef tientallen werken over feminisme, moraalfilosofie, de klassieke oudheid en het belang van de humaniora.

Samen met Nobelprijswinnaar Amartya Sen heeft ze een organisatie opgericht die wereldwijd mensen bijeen brengt om op een andere manier naar mondiale vraagstukken te kijken, in het bijzonder de economie. Creating Capabilities is een uitwerking van de doelstellingen van die organisatie. Niet langer zou het Bruto Nationaal Product onze benadering van de kwaliteit van leven moeten bepalen; we moeten gaan kijken naar maatschappelijke verantwoordelijkheid en vooral: naar de mate waarin mensen zichzelf kunnen verwezenlijken. ‘The human development approach’, noemt ze dat.

Net als Dworkin beschikt Nussbaum over een indrukwekkende eruditie en een vloeiende stijl. Ze heeft bovendien praktijkervaring opgedaan, bijvoorbeeld door in India mee te helpen bij projecten waarin vrouwen economisch werden ondersteund.

Wellicht mede daardoor wordt Nussbaums idealisme getemperd door een stevige dosis realiteitszin. Ze erkent dat de ambitie te komen tot een wereldstaat niet realistisch is, dat het democratisch tekort van de EU zeker geen voorbeeld is voor de rest van de wereld, en dat de Verenigde Naties ‘a positive disaster’ is wat democratisch gehalte betreft.

Toch ontbreekt bij Nussbaum, net als bij Dworkin, een bereidheid om echte keuzes te maken: keuzes die pijn doen, en ten koste gaan van dingen. Daarmee gepaard gaat een zekere veronachtzaming van de kwade neigingen van de mens. Met aandacht voor de eigen verantwoordelijkheid, de waardigheid, en de ontplooiing van het individu zijn we er immers niet.

Zoals Aristoteles, waar beide zich veelvuldig op beroepen, als geen ander wist, is de mens een paradoxaal wezen, dat voortdurend heen en weer wordt geslingerd tussen tegenstrijdige behoeftes en verlangens. Het vertalen van hooggestemde idealen naar de concrete praktijk is dan ook de uitdaging waar de lezer van Dworkin en Nussbaum een beetje mee blijft zitten. Wellicht dat de vos op dat punt toch beter zijn weg weet dan de egel.

Jurist en historicus, auteur van ‘Conservatieve vooruitgang’ (2010)