Zijn huisgenoot is een hoarder, tijd dus om te verhuizen

De tijd tussen het wonen bij je ouders (en daar kibbelen over niet opgeruimde sokken) en samenwonen met een geliefde (en daar kibbelen over niet opgeruimde sokken), is meestal de enige periode waarin je het meemaakt: wonen met een huisgenoot. Besluiten om met een huisgenoot te gaan wonen betekent min of meer je overgeven aan een Russische roulette: je weet nooit wat je treft. Een goede vriendschap geeft geen garanties voor een succesvol huisgenootschap.

Voor je het weet, heeft die ene leuke vriendin zich ontpopt tot iemand die met een magic marker al het eten in huis voorziet van het precieze aantal kilocalorieën. Of elke nacht even je kamer in komt, omdat je ‘zo lief kijkt als je slaapt’. Zelf heb ik ooit samengewoond met mijn beste vriend. Na een jaar concludeerden we dat we vaker plenaire vergaderingen hielden over rondslingerende nagellakpotjes dan dat we op de bank hingen en zombiespellen speelden. Dus gingen we apart wonen – we zien elkaar nu misschien nog wel vaker dan toen.

Gisteren ging ik op bezoek bij een vriend van mij, Daan. Hij is ongeveer een jaar geleden met huisgenoot Noah in een antikraakhuis gaan wonen. Ik weet nog hoe het er toen uitzag: de verf was afgebladderd en de tuin was bedekt met betontegels en een enkel kwaadaardig brandnetelplantje, maar Daan had vlijtig alle kamers schoongemaakt en Noah had geprinte plaatjes van de Thundercats en gebouwen uit Dubai aan de kale muren gehangen. Ze hadden geen fornuis of een wasmachine, maar wel een aftandse afwasmachine: volgens Noah was een afwasmachine hét recept voor huisgenotengeluk. „Geen enkel apparaat is belangrijker dan de afwasmachine. Opgestapelde afwas maakt vijanden van vrienden.”

Een jaar na die frisse start zit ik weer in Daans huis en inmiddels is het duidelijk dat huisgenoot Noah door iets anders wordt gedefinieerd dan zijn voorliefde voor Tygra en afwasmachines. Hij houdt er namelijk een nogal bijzondere hobby op na: hij is een hoarder.

De gang is geblokkeerd door kromme, ruwe steigerplanken, langs de muur liggen opgestapelde pizzafolders. In de tuin liggen een aantal automotoren, in de woonkamer staan computermonitoren en kapotte toetsenborden, daarnaast liggen een paar opengehaalde radio’s en televisies. Een bos gekleurde stroomdraadjes steken eruit, alsof je hun ingewanden kan zien.

Noah sleept alles mee naar huis en kan niks weggooien, als een doorgeslagen knaagdier vlak voor de winterslaap of een oude vrouw die nog steeds bang is voor een Russische kernbom. Langzaam maar zeker slibt het huis dicht.

„Hij is echt heel aardig”, zegt Daan met een half lachje, terwijl hij een stapel ongeopende brieven van een stoel afveegt.

„En als ik ooit nog eens vijftien door de afwasmachine schoongewassen Duo Penotti-potten nodig heb, weet ik dat ze er zijn.” Dan is hij even stil. „Maar ik ga misschien ook maar eens kijken naar een huis. Of bezemkast. Die ik niet hoef te delen.”

Renske de Greef