't Is veel erger

Opeens waren daar zomaar een paar dichtregels van Bert Schierbeek, zondagavond tijdens de korte, live door de tv uitgezonden herdenkingsplechtigheid in Alphen aan den Rijn. Ze werden uitgesproken door burgemeester Bas Eenhoorn. Ze luidden:

kijk

’t is veel erger

dan je denkt

als je denkt

is ’t nog erger

Ze leken een fragment uit een groter gedicht, maar dat is niet zo. In zijn bundel De deur nam Schierbeek zes op zichzelf staande gedichten op die met het woordje ‘kijk’ beginnen. Een ander voorbeeld is: kijk, / ik weet het niet/ ik was nog nooit dood/ maar als je nou dood bent/ wat zie je dan/ wat zie jij nu wat ik niet zie/ want als de ogen zich sluiten/ en het zicht naar binnen keert/ waar ben ik dan/ en jij/ en wij?

De keus van Eenhoorn was opvallend omdat Schierbeek niet tot onze beroemdste dichters behoort. Hij leefde van 1918 tot 1996 en had een reputatie als schrijver van experimentele teksten, een mengvorm van proza en poëzie, door hemzelf ook wel ‘proëzie’ genoemd. In 1972 kreeg hij als dichter plotseling een groter publiek toen hij met een bundel pure poëzie kwam: De deur.

Ik heb die bundel nog eens grondig doorgenomen. Er staan aangrijpende gedichten in, een aantal gaat over de dood van Margreet van Zutphen, zijn tweede vrouw, die in 1970 bij een verkeersongeluk was omgekomen. „Midden in een zin reed die auto met 120 kilometer op haar in”, vertelde hij Ischa Meijer in een interview, „die zin maak je dan nooit meer af.”

In een gedicht constateert hij dat hij zich soms schaamt dat hij verder leeft. Het gedicht begint met deze indrukwekkende strofe: de dood, zei Remco/ is een ontroering/ ik weet nu beter/ de dood is een klap/ gieren van remmen/ gerinkel van glas/ en doodstil liggen/ op straat/ alleen/ de dood is rood/ en stil/ je laatste woord/ nog in mijn oor/ dat is dood.

In 1978 zei Schierbeek tegen interviewer Jan Brokken dat hij nog altijd plezier had in het schrijven. Van depressies had hij geen last. „Ik ben een evenwichtig persoon. Alleen in 1970-1971 heb ik een inzinking gehad, maar dat had niets te maken met het schrijven zelf. Margreet, mijn vrouw, is bij een verkeersongeluk om het leven gekomen. Twee jaar heb ik niet geschreven. Daarna aarzelend enkele gedichten.”

Bladerend door zijn andere bundels ontkwam ik niet aan de indruk dat Schierbeek juist aan deze kortstondige, mentale crisis zijn beste werk te danken heeft. Soms heeft hij aan een paar regels genoeg om het gevoel van een schrijnend gemis over te brengen: weet je/ wat nu zo zonde is/ dat ik dit op schrijf/ zonder jou.

Cees Buddingh’ had het volgende gedicht geschreven kunnen hebben: ik eet nu leidse/ belegen/ op maandag/ en ik denk aan/ die paling/ op maandag/ beide van de Albert Cuyp/ denk ik/ en de tijd daartussen.

Het hoogtepunt uit De deur is voor mij dit titelloze gedicht: ik denk/ als het regent/ laat ze niet nat worden/ en als het stormt/ vat ze geen kou/ en ik denk ook/ dat dat denken/ niet helpt/ want je wordt nooit meer/ nat noch vat je een kou/ want het regent/ noch waait ooit/ meer voor jou.

Pas veel later zou Schierbeek over zijn eigen naderende dood dichten. Ik vond dit in zijn postuum uitgegeven bundel Vlucht van de vogel: de dag valt/ omhoog uit de/ nacht/ alles wordt zichtbaar/ ik zie het einde/ van mijn weg/ mijn afgrond/ ben bang/ voor mijn nacht/ die ik al in mij/ draag en dan/ zie ik mij vallen.