Menselijke koopwaar

Zeker, er waren schepen waarin slaven als haringen in een ton werden vervoerd.

Maar de meesten hadden het beter. Anders zouden ze niet levend zijn aangekomen.

Tekening van de verdeling van negerslaven over het dek van een slavenschip, 'het stuwplan', uit een boek voor de afschaffing van de slavernij uit 1808.
Tekening van de verdeling van negerslaven over het dek van een slavenschip, 'het stuwplan', uit een boek voor de afschaffing van de slavernij uit 1808.

Het beeld duikt steeds weer op in boeken en artikelen over de trans-Atlantische slavenhandel: een plattegrond van een slavendek, waarop de menselijke koopwaar is gestouwd als haringen in een ton, met nauwelijks ruimte tussen de lijven. Het is een negentiende-eeuwse prent van het zeilschip Brookes, gebouwd in Liverpool in 1781, dat talloze ladingen slaven vervoerde van de West-Afrikaanse kust naar Kingston op Jamaica.

Die prent geeft volgens zeehistoricus Henk den Heijer niet de werkelijkheid weer op de slavenschepen van die dagen. „De Brookes was een berucht schip”, zegt hij, „maar eerder de uitzondering dan de regel. De meeste Afrikaanse slaven werden niet op die manier vervoerd. Het zou ook onlogisch zijn, want zo zouden er maar weinig levend zijn aangekomen.

„Meestal hadden slaven meer ruimte. Ze werden dagelijks, als het weer het toeliet, aan dek gebracht om te bewegen. Niet uit menslievendheid, maar uit economische noodzaak, want ze moesten goed geld opbrengen in de plantagekoloniën van de West. Die prent van de Brookes werd een effectief propaganda-instrument van de Britse beweging tegen de slavenhandel. In 1807 werd de handel in Groot-Brittannië verboden.”

Den Heijer hield gisteren zijn intreerede als hoogleraar zeegeschiedenis aan de Leidse universiteit, de enige in Nederland met een dergelijke leerstoel. Titel van zijn oratie: Het slavenschip.

Jaren van Brits, Amerikaans en Nederlands onderzoek hebben enorm veel gegevens opgeleverd over de trans-Atlantische slavenhandel, vooral over de aantallen. We weten nu vrij goed hoeveel slaven er zijn vervoerd, wat het gemiddelde sterftepercentage was tijdens de overtocht naar Amerika (14, 15 procent) en hoeveel slaven er in welke plantagekolonie zijn afgeleverd. Maar over wat zich aan boord heeft afgespeeld, is veel minder bekend.

De beeldvorming over het leven en werken aan boord van slavenschepen is de afgelopen jaren sterk beïnvloed door twee historici: de Amerikaan Marcus Rediker (The Slave Ship, 2007) en de Britse Emma Christopher (Slave Ship Sailors and their Captive Cargoes, 1730-1807, 2006).

Zij baseren zich vooral op de memoires van enkele ervaringsdeskundigen: gewezen kapiteins van slavenschepen, zoals John Henry Newton en James Field Stanfield, die zich later bekenden tot de abolitionistische beweging .

Deze spijtoptanten schreven over gewetenloze gezagvoerders en bemanningsleden die slaven mishandelden en seksueel misbruikten. Rediker en Christopher schetsen het leven aan boord dan ook als een hel, waarin drie partijen tegenover elkaar stonden: officieren die met grof geweld de discipline probeerden te handhaven, matrozen die op hun beurt geweld tegen slaven niet schuwden, en de slaven die al dat geweld weerloos moesten ondergaan.

Den Heijer: „In die studies, hoe goed soms ook geschreven, worden dezelfde retorische wapens gebruikt als twee eeuwen eerder in de strijd om afschaffing van de Britse slavenhandel, en die komen de historische betrouwbaarheid niet ten goede. Ik probeer het verschijnsel te zien in het perspectief van de tijd. In de achttiende eeuw waren de waarden en normen heel anders dan nu. Onder Europese en Afrikaanse wetten en regels van die dagen was slavenhandel legaal en volledig geaccepteerd.”

De herdenking van twee eeuwen afschaffing van de slavenhandel, in 2007, leidde in Groot-Brittannië tot een golf van publicaties, maar is aan Nederland voorbijgegaan.

Toch hebben Nederlandse historici voor de treurige geschiedenis van de slavenhandel één belangrijke troef die buitenlandse collega’s niet hebben: het archief van de Middelburgse Commercie Compagnie (MCC). Dat was in de tweede helft van de achttiende eeuw de grootste Nederlandse onderneming die handel dreef in slaven.

Het Middelburgs archief bevat scheepsjournalen, negotieboeken (over de onderhandelingen met aanbieders en verkopers van slaven), monsterrollen (lijsten van bemanningsleden) en brieven van kapiteins. Binnenkort krijgt dit archief een plaats in het Memory of the World Register van de UNESCO.

In deze schatkamer deed Henk den Heijer onderzoek. Volgens hem geven de documenten een redelijk betrouwbaar beeld van het leven op slavenschepen, ongeacht de herkomst of de nationaliteit van de hoofdrolspelers.

„Het gedrag van Europese en Amerikaanse reders en kapiteins die slaven verscheepten, was vergelijkbaar. Ze kenden elkaar goed, ze visten in dezelfde vijver. Ze kwamen op dezelfde kusten en zaten in dezelfde kroegen. Die maritieme wereld was internationaal – ook toen was dat al zo. En een groot deel van de bemanningen op de Zeeuwse schepen was helemaal geen Zeeuw. Zij kwamen uit Engeland, Scandinavië of Duitsland.”

Den Heijer maakt uit de Zeeuwse stukken op dat kapiteins van slavenschepen onderworpen waren aan een streng redersregime. Hij geeft voorbeelden van gezagvoerders die wegens mishandeling van slaven ter verantwoording zijn geroepen door hun medeofficieren – want die waren beducht voor slavenopstanden aan boord – en die later door hun broodheren zijn ontslagen.

Den Heijer: „Dat betekent niet dat er geen misstanden waren, maar misbruik en onderdrukking waren geen schering en inslag. Vaak stierven er procentueel gezien meer bemanningsleden dan slaven, omdat die laatsten alleen aan boord bleven tijdens de oversteek van Afrika naar de West, gemiddeld acht weken. Bemanningsleden voeren mee van Europa naar Afrika, van Afrika naar Amerika en weer naar Europa. De doodsoorzaken onderweg waren vooral dysenterie en waterpokken.”