Drukke handel aan rand van Europa

Het profvoetbal is een mondiale industrie geworden. In de kleinste landen zijn spelersmakelaars actief en zwerven gelukzoekers rond.

Terwijl de miljoenenaankopen van voetbalclubs als Real Madrid en Chelsea ieder jaar volop in de aandacht staan, vindt de echte handel in voetballers plaats in landen als Cyprus en Moldavië. Clubs uit Cyprus importeerden in 2010 bijvoorbeeld 219 spelers uit het buitenland, meer dan waar ook ter wereld. In hetzelfde jaar gingen 143 buitenlandse voetballers naar Engeland en 117 naar Spanje.

De handel in voetballers is volkomen geglobaliseerd. Dat is de belangrijkste conclusie uit een gisteren gepubliceerde studie van de Professional Football Players Observatory, een sportwetenschappelijke onderzoeksgroep van de universiteit van Neuchâtel in Zwitserland. De onderzoekers brachten op basis van transfergegevens de migratie van profvoetballers in 2010 in kaart.

De resultaten van het onderzoek zijn opvallend. Zo verhuisden voetballers uit Brazilië vorig jaar vaker naar Japan, Zuid-Korea of Iran dan naar de rijke clubs in Spanje, Engeland of Italië. Brazilië is ook het land dat de meeste voetballers exporteerde: in totaal 283. Vijfentwintig clubs uit de 69 onderzochte landen met in totaal 104 competities haalden zelfs meer dan 11 buitenlandse spelers en konden in een jaar tijd een gloednieuw vreemdelingenlegioen opstellen. Het merendeel van die clubs komt uit Zuid- of Oost-Europa.

„Het profvoetbal is uitgegroeid tot een wereldwijd opererende industrie”, zegt onderzoeker Raffaele Poli. „Overal ter wereld is het gewoon om buitenlandse voetballers aan te trekken.” Poli, die het onderzoek leidde, werd zelf ook verrast door de enorme activiteit van clubs uit landen als Armenië en Azerbajdzjan op de transfermarkt. Aan de randen van Europa legden clubs in 2010 gemiddeld twee keer zo veel voetballers vast als hun concurrenten in West-Europa.

De voetbalindustrie is zeer speculatief, zegt Poli. Financieel gewin wordt steeds vaker belangrijker gevonden dan sportief succes. Overal ter wereld is het bedrijfsmodel van clubs gebaseerd op het risicovolle aan- en verkopen van spelers, wat de grote aanjager is van de jaarlijkse voetballersverhuizing. „Clubs, private investeerders en spelersmakelaars hebben belang bij transfers, omdat daar het meeste geld mee te verdienen is”, zegt Poli. Vrijwel de gehele voetbalwereld jaagt op supertalenten die na een tijdje met miljoenenwinst verkocht moeten worden. Voor snel succes worden oudere buitenlandse spelers aangetrokken.

„Om een team zo goed mogelijk te laten presteren, is echter structuur nodig, en tijd”, zegt Poli. Hij vreest dat de sport de dupe is van het wijdverspreide kortetermijndenken. De onderzoeker wijst op Servische clubs, die vorig jaar 150 voetballers – meer dan 13 complete elftallen – naar het buitenland zagen vertrekken. „Doordat zij hun spelers zo snel mogelijk verkopen, is de gemiddelde leeftijd in de competitie gedaald naar 24 jaar.” Clubs als Rode Ster en Partizan spelen in Europese toernooien geen enkele rol meer en het niveau van de competitie is flink gedaald. In Kroatië, waar eenzelfde ontwikkeling gaande is, komen fans van Dinamo Zagreb sinds kort uit protest niet meer naar het stadion. Zij vinden dat de voorzitter van hun club de beste spelers te snel verkoopt.

Het land waar clubs de meeste voetballers importeerden is Cyprus. Driekwart van de profvoetballers op het eiland komt uit het buitenland. Ook de coaches komen van ver: de trainer van AEK Larnaca, nummer vier in de competitie, is de Nederlander Ton Caanen. Hij vertelt telefonisch dat de eigenaren van Cypriotische clubs graag mee willen doen in de Europese competities, maar de eigen jeugd daar niet of nauwelijks goed genoeg voor vinden. Daarom zoeken zij al een aantal jaar naar buitenlandse versterkingen. Dat heeft ook succes opgeleverd: clubs uit Cyprus plaatsen zich tegenwoordig af en toe voor de Champions League en behalen steeds betere resultaten in de Europa League.

Bij Larnaca, waar Jordi Cruijff technisch directeur is, spelen vier Nederlandse voetballers: oud-Feyenoorder Kevin Hofland, Danny Schenkel (ex-Willem II), Gregoor van Dijk (oud-FC Utrecht) en Edwin Linssen, die bij Roda JC en Fortuna Sittard voetbalde. „Het weer is tien maanden per jaar fantastisch en de stadions zijn heel leuk”, lacht Caanen. Volgens spelersmakelaar Rob Jansen is Cyprus dan ook vooral interessant voor voetballers die het einde van hun carrière zien naderen. „De leefomstandigheden zijn goed en de competitie is niet al te moeilijk. Zeker niet als je op een hoger niveau hebt gespeeld.”

Maar op het eiland voetballen ook veel Afrikanen, Brazilianen en Argentijnen die hopen op een transfer naar bijvoorbeeld Griekenland of Rusland, vertelt Caanen. „Vooral bij de laag geklasseerde clubs komen elk jaar tien spelers binnen en gaan er tien weer weg.” De invloed van spelersmakelaars bij die clubs is soms groot.

Een andere oorzaak van de grote rol van Cypiotische clubs op de internationale transfermarkt zijn de grillige clubeigenaren. „De meeste trainers staan na twee nederlagen onder druk en spelen daarom liever met ervaren buitenlandse voetballers dan dat ze risico nemen met talentvolle jeugdspelers”, vertelt Caanen. Slechts drie van de in totaal veertien trainers die aan het seizoen begonnen in de hoogste competitie hebben hun baan nog, onder wie de Nederlandse coach.

Zaakwaarnemer Rob Jansen merkte de afgelopen jaren dat clubs uit Rusland en Oekraïne, die financieel worden gesteund door de nieuwe zakenelite uit de landen, steeds actiever worden op de transfermarkt. „Spelers gaan daar nu nog heen om financiële redenen, maar de competities zijn sportief ook in opkomst.”  Vooral in het Oost-Europese voetbal geldt momenteel het credo ‘wat je van ver haalt, is beter’, zegt Jansen. Hij noemt dat „het oude systeem”. „Ik vraag me af of het verstandig is, in West-Europa besteden clubs juist steeds meer aandacht aan de jeugdopleiding.” Voor veel clubs levert de speculatieve transfermarkt slechts verliezen op, clubs die structureel succesvolle aankopen doen zijn een uitzondering.

De Italiaanse club Udinese is volgens Raffaele Poli daarentegen het voorbeeld van een succesvolle handelsonderneming in voetballers. „De clubeigenaren, de familie Pozzo, hebben de afgelopen jaren miljoenen verdiend met de verkoop van spelers”.

Udinese opereert als een multinational. De club heeft de hele productieketen van voetballers in eigen beheer genomen. De grondstoffen voor het productieproces, talentvolle spelers, komen uit Afrika (met name Ghana) en Zuid-Amerika. De club is vooral actief in Paraguay, Chili en Colombia, en niet in de gevestigde voetballanden Brazilië en Argentinië. Daar is de concurrentie namelijk veel groter.

Poli legt uit dat als Udinese een talentvol voetballertje heeft ontdekt, de club een optie op de jeugdspeler neemt. Vervolgens wordt hij gestald bij een club in zijn thuisland waar Udinese zakelijke banden mee heeft. „Als de spelers eenmaal sterk genoeg zijn, worden ze naar Europa gehaald”, zegt de Zwitserse onderzoeker. De familie Pozzo is ook eigenaar van de Spaanse club Granada, die uitkomt op het tweede niveau in Spanje. Daar kunnen de talenten eventueel verder rijpen. „Het hele elftal van Granada bestaat uit spelers die eigendom zijn van Udinese”, zegt Poli. Uiteindelijk staat er af en toe een sterspeler op die de vele investeringen in één keer goed maakt, zoals de Chileen Alexis Sanchez. De transfersom van de aanvaller, die dit seizoen furore maakt in de Serie A, wordt al geschat op 30 miljoen euro.

De aanstaande transfer van Sanchez naar een topclub zal veel aandacht trekken. Maar Poli ontdekte dat de meeste voetballers die naar het buitenland vertrekken juist een neerwaartse carrière hebben. „Veel Brazilianen vertrekken bijvoorbeeld naar Portugal, waar een doorbraak vervolgens uitblijft. Ze eindigen dan in Armenië of Roemenië.” Bij een buitenlandse transfer is het risico groot om uit het systeem te vallen en door iedereen te worden vergeten, zegt Poli. „Vergeet niet dat het om heel jonge mensen gaat, van gemiddeld 22 jaar oud. En Afrikaanse voetballers zijn pas 19 als ze naar het buitenland vertrekken.”