Rutte, Opstelten en Eenhoorn: geen eenvoudige taak

Op momenten dat het noodlot toeslaat, wordt van politici verwacht dat ze zowel koelbloedig als meelevend zijn. Sommigen zijn daar bedrevener in dan anderen.

Op momenten van nationale schrik en rouw hebben politieke ambtsdragers geen eenvoudige taak. In woord en gebaar, zo wordt van hen verwacht, moeten ze medeleven tonen en tegelijk boven de gebeurtenissen staan. Bovendien: de camera’s lopen.

De drie belangrijkste ambtsdragers na de schietpartij in winkelcentrum de Ridderhof zijn toevallig alledrie bekende VVD’ers: de premier, de minister van Veiligheid en Justitie, de burgemeester van Alphen aan den Rijn. Tegelijk bleek uit hun reacties hoe verschillend ze zijn.

Burgemeester en oud-partijvoorzitter Bas Eenhoorn was zichtbaar aangedaan, maar niet uit het veld geslagen. Ivo Opstelten, eerder ook partijvoorzitter en nu minister, bleek geoefend in bezwerende standaardformules. Partijleider en premier Mark Rutte leek – het meest opvallend – onwennig met de situatie.

In zijn toespraak – weer eens uit het hoofd – probeerde Rutte de ernst van de situatie recht te doen door langzaam te praten. Zijn techniek: op ieder woord nadruk leggen. Omdat hij doorgaans een radde prater is, kwam dat weinig natuurlijk over. De radioverslaggever van de NOS noemde hem zelfs „een beetje gespannen”. Dat blijkt inderdaad uit een radiofragment waarin te horen is hoe de premier, tijdens de herdenking op zondag, in gesprek gaat met een vrouw in een scootmobiel. Ze is getuige geweest van de schietpartij en wil graag haar verhaal doen – ze heeft ook nogal wat meegemaakt. Maar Rutte blijkt moeite te hebben haar aan het woord te laten.

Even breekt de vrouw, („ja sorry hoor”) als ze vertelt hoe Van der V. een vrouw doodschoot, vlak voor haar ogen en ondanks haar waarschuwing. Ruttes snelle conclusie: „Dit zal u dan nog wel even bijblijven.” En „heel veel sterkte!” Tegen haar man: „Let u goed op haar? Ze is een stoere vrouw.” En binnen twee minuten is Rutte weer weg.

Het lijkt erop dat zijn optimistische natuur en opgewekte, relativerende toon, waarmee hij succesvol is in Kamerdebatten, hem niet van pas komen als het noodlot toeslaat. Net als een doorgaans te prijzen voorzichtigheid in het spreken namens anderen. „Ik denk”, zei Rutte zaterdag voorzichtig, dat „heel veel mensen vandaag het gevoel hebben dat deze zonovergoten dag vanmiddag veranderde in een nachtmerrie.” Minister Opstelten deed dat minder voorzichtig. Niks „ik denk” of „het gevoel hebben”. De VVD’er, met de gravitas die in dit soort situaties van politieke ambtsdragers wordt verwacht, noemde de gebeurtenissen zonder mitsen of maren „onvoorstelbaar”. Het moest hem twee keer worden verteld, anders had hij het niet kunnen geloven. Hier stond de burgervader die eerder in Rotterdam de onrust na de moord op Pim Fortuyn het hoofd wist te bieden. Die als VVD-regent bovendien aan populariteit had gewonnen in een tijd dat Leefbaar Rotterdam electoraal opgang maakte.

Eenhoorn noemde de schietpartij op zaterdag „schrijnend” en „buitengewoon naar”. Als partijvoorzitter kreeg hij landelijke bekendheid door toenmalig partijleider Hans Dijkstal te manen „Jip en Janneke-taal” te spreken. Zelf koos hij zijn woorden dit weekeinde met zorg. De ramp was, zo zei hij, „bijna niet te begrijpen”. Bijna: zijn medeleven was groot, maar hij verloor zich er niet in – als verantwoordelijke ook niet verstandig. Natuurlijk, hij las zijn toespraak voor. Maar in zo’n situatie is het moeilijk voor te stellen dat iemand hem dat kwalijk neemt. Bovendien gaf het hem de gelegenheid de dichter en schrijver van de beweging der vijftigers Bert Schierbeek te citeren: „Het is veel erger dan je denkt. Als je denkt, is het nog erger.”