Meedogenloos als een tank

Halverwege september 1916 lagen de gevechten tussen de Duitsers en de geallieerden aan het westfront grotendeels stil wegens het slechte weer. „Bij gebrek aan nieuw oorlogsnieuws”, zo meldde de Leeuwarder Courant op 20 september 1916, „spreken de Engelsche bladen nog wat na over de nieuwe vechtwerktuigen, die men ‘tanks’, ‘geschuttorens’, ‘landrupsen’ en officieel ‘landschepen’ noemt.”

Dit is een van de vroegste vermeldingen van tank in een Nederlandse krant. „Deze lange, lage, grondkleurige schildpadden gelijken niet op de vroegere gepantserde auto’s”, vervolgde de Leeuwarder Courant. „Het zijn feitelijk stalen landschepen van ontzaglijk vermogen en wonderbaarlijke bruikbaarheid. Zij hebben in de praktijk bewezen dat zij over muren kunnen klimmen, zich een weg kunnen banen door dichte bosschen, over loopgraven heen kunnen en in en over kraters kunnen heen manoeuvreeren.”

Net als bij veel andere uitvindingen lag niet meteen vast welk woord men ervoor zou gebruiken. Landrups en landschip heb ik nauwelijks aangetroffen, maar in de Militaire Spectator bleef men decennialang vechtwagen gebruiken. Daarnaast is onder meer loopgraafautomobiel aangetroffen.

Als we onze verklarende handwoordenboeken mogen geloven – Van Dale, Prisma, Koenen, Verschueren – zijn er in het Nederlands nooit uitdrukkingen met tank ontstaan. In feite zien we die al sinds het begin van de Tweede Wereldoorlog opduiken in romans, vooral in vergelijkingen. Zo schreef Piet Begeer in 1942 in Pieter Maritsstraat 7: „Toen kwam het hele verhaal, en niet te stuiten als een tank, in vast en regelmatig tempo los.” Ook in de jaren daarna zien we de tank in romans opduiken als een symbool van onverzettelijkheid, macht, kracht en meedogenloosheid. Jan de Hartog verwoordde het in 1967 in De kapitein als volgt: „Hij was zo doelbewust, onkwetsbaar en meedogenloos als een tank.”

Het meest gangbaar is de verbinding ‘als een tank over iets of iemand heen denderen’. We vinden die uitdrukking vanaf de jaren zestig, onder andere in de streekroman En de boer hij ploegde voort van W. den Hollander-Bronder: „Hij is als een tank die over m’n lichamelijke en geestelijke gevoelens heenrolt.” Overigens kwam de tank bij mijn weten eerder in gedichten voor dan in romans. Zo publiceerde Johanna Opdam in 1932 in Het roode lied van heden, een gedicht van maar liefst vijftien coupletten dat geheel aan de tank is gewijd.