Veel minder krijgsmacht

De Nederlandse krijgsmacht is op het ogenblik op zes plaatsen in de wereld betrokken bij internationale missies: Afghanistan, Bosnië-Herzegovina, Irak, Libië, Soedan en Somalië. Als iets duidelijk is na de megabezuinigingen waartoe het kabinet gisteren op voorspraak van minister Hans Hillen (Defensie, CDA) heeft besloten, is het wel dat de Nederlandse militairen tot zulke brede en gevarieerde inspanningen straks niet meer gelijktijdig in staat zullen zijn. Artikel 90 van de Grondwet, „de regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde”, verdient een toevoeging: ‘in zekere mate’.

Eigenhandig heeft het kabinet gisteren zijn regeerakkoord geamendeerd, waarin stond dat het „kiest voor een veelzijdig inzetbare krijgsmacht met het daarbij behorende ambitieniveau”. Dat was de politieke keuze die de coalitie van VVD en CDA deed uit de opties die het rapport Verkenningen. Houvast voor de krijgsmacht van de toekomst haar had geboden. Dit grondige ambtelijke werkstuk, dat ruim een jaar geleden is verschenen en was opgesteld door vertegenwoordigers van vijf ministeries, schetste de toekomstmogelijkheden van de krijgsmacht. Het vermeldde bijvoorbeeld ook de optie dat de Nederlandse defensie zich voortaan beperkt tot bescherming en zonodig verdediging van het grondgebied van het Koninkrijk, de Europese Unie en de NAVO.

Maar het kabinet besloot vorig jaar terecht wel vast te houden aan wat nu een van de hoofdtaken van de krijgsmacht is: bescherming en bevordering van de internationale rechtsorde en stabiliteit. Daar zijn meer motieven dan louter idealistische voor aan te voeren. Als zestiende economie en negende exportland ter wereld heeft Nederland zelf alle belang bij internationale veiligheid.

Dat de centrum-rechtse coalitie nu toch kiest voor een majeure bezuinigingsoperatie is politiek opvallend. Zo stond in het verkiezingsprogramma van de grootste regeringspartij, de VVD, nog de ferme aankondiging dat „de dalende lijn in de Defensiebegroting” een halt zou worden toegeroepen en dat voorgenomen bezuinigingen op de krijgsmacht zouden worden teruggedraaid. Het omgekeerde gebeurt nu. Daarmee komt de regering bovendien gedeeltelijk tegemoet aan de wens van de PVV, die de buitenlandparagraaf juist niet van gedoogsteun had voorzien. Integendeel, de PVV meent dat Nederland slechts in „zeer beperkte mate” aan vredesmissies moet meedoen en niet langer „haantje de voorste” hoeft te zijn bij internationale militaire acties.

Het kabinet acht zich door de positie van de staatskas genoodzaakt tot zeer zware ingrepen bij Defensie, waar straks door een bezuiniging van bijna 1 miljard euro effectief ruim 14 procent minder te besteden zal zijn. Niet voor niets heeft de brief die minister Hillen gisteren naar de Tweede Kamer heeft gestuurd, als titel Defensie na de kredietcrisis: een kleinere krijgsmacht in een onrustige wereld meegekregen. Een operatie als in Uruzgan zou de krijgsmacht geen vier jaar meer kunnen volhouden, zoals nu wel is gebeurd. Ook al zit Nederland volgens Hillen nog steeds in „de Champions League”. Maar, om in die terminologie te blijven: overwinteren is er voorlopig niet meer bij. Dat is slecht voor het internationale aanzien van Nederland en zijn invloed.

Ook andere Europese landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, snoeien fors in hun defensie-uitgaven. Het is daarom jammer dat Hillen en zijn buitenlandse collega’s deze gelegenheid niet hebben aangegrepen om plannen te ontwikkelen voor veel verder gaande militaire samenwerking. Dat had tot een efficiencyslag kunnen leiden die de bezuinigingen draaglijker had gemaakt en de kracht van de krijgsmacht minder had aangetast. Voor een dergelijke internationale aanpak, binnen de Europese Unie en binnen de NAVO, is het trouwens nog niet te laat. Ook zonder de huidige financiële ingrepen is er veel voor te zeggen.