Hebben maakt zijn

Ik sta op de Dam en ik kijk. Ik kijk naar de wereld. Dames die met overvolle tassen De Bijenkorf verlaten en van wie ik weet dat ze tegen deze kwaal behandeld zouden moeten worden. Shoppen is officieel een psychische aandoening, een heuse ziekte. Veel mensen lijden eraan. De Bijenkorf in en er niet met lege handen uit kunnen komen. En altijd met te dure dingen. Rare oogschaduwtjes, belachelijke mascara’s, debiele rimpelcrèmes en andere overbodige zaken. Te grote speelgoedbeesten voor hun kleinkinderen, te gietijzeren pannen voor hun keuken terwijl ze nog geen kop thee kunnen zetten en te dure kleren die vooral lijken op de kleren van de andere dames op de hockeyclub.

Niet alleen in het veld gaat het om hetzelfde tenue. Ook in het clubhuis. Juist in het clubhuis. Zowel bij de mannen als de vrouwen. En zeker bij de kinderen. Van jongs af aan worden ze door hun ouders in merkkleding gehesen. Het merkje zat vroeger onzichtbaar in de kraag, maar tegenwoordig prijkt het al jaren op de borst. Iedereen een polospelertje. Ooit begon het met een krokodilletje. Daar zijn wat tranen om geplengd.

Het is een ziekte. De Bijenkorf in en de boel niet kunnen laten staan, liggen of hangen. Het moet mee. Aan de ene kant de Kalverstraat in en er aan de andere kant uit als een te zwaar bepakte muilezel. Mee moet het. Mee naar het te dure huis dat het gezin al jaren in een wurggreep houdt. Je wordt iemand in een bepaald stuk katoen. Dan tel je mee. Je bent iemand. Een van de rest. Of je onderscheidt je juist. Hebben maakt zijn.

Onlangs werden rijke mensen bestolen, heel rijke mensen, Breukhovens en Boekhoorns. Er werden kluizen ontvreemd. Bij zowel de een als de ander lagen er voor miljoenen aan horloges in die brandkasten. Dat heet klokkies in die kringen.

Je kunt tegen deze ziekte behandeld worden. Nog niet ingeënt, maar er zijn pillen.

Antidepressiva, pillen die de chronische onvrede wegnemen. Die je behoeden om zinloze zaken aan te schaffen. Natuurlijk is het leven zinloos, maar een knuffelgiraffe van een halve meter hoog lost het grote levensraadsel niet op.

De pillen zijn gemakkelijk te krijgen. De huisarts geeft ze graag. Al is het maar om van het gezeik af te zijn. Dat die mutsen niet steeds weer in de spreekkamer komen snotteren.

En niet alleen de rijken slikken. Miljoenen mensen werken hun ongeluk op die manier weg. Of ze er minder door gaan shoppen?

Ik hoop het niet voor De Bijenkorf. Ze gaan door tot hun creditcard kreunt.

Gisteren las ik dat asielzoekers heel moeilijk aan antidepressiva kunnen komen. Ze krijgen het gewoon niet. Waarom niet?

Te duur.

Nederlandse reden dus. Terwijl die mensen toch wel aan een tabletje toe zijn, lijkt me. Oorlogje in het hoofd, martelingetje of wat achter de rug, kinderen kwijt, familie verloren, broertje dood en pijnlijke littekens. Medische indicatie, zou ik durven stellen. De meesten hebben geen geld om het ontspannen van zich af te shoppen. Ze dolen ontheemd door een superrijk land. Als ze tenminste mogen dolen. Meestal zitten ze in een kaal asielzoekerscentrum te wachten op allerhande procedures. De wetten van de harde Leersjes. Je zou zeggen: geef die mensen een pilletje tijdens het wachten. Een pilletje tegen die krankzinnige lamlendigheid. Dat ontheemde gevoel, die totale machteloosheid. Nederlanders surfen over het internet langs de vakantiesites, een vrouw zegt tegen haar man: „Zullen we dit jaar voor de afwisseling eens naar een democratie gaan? En niet naar Lampedusa. Veels te druk!”

Ik zie een man in de schaduw van het lelijke Monument op de Dam, het monument van de vrijheid, de zwaar bevochten vrijheid, lang, lang geleden. Hij kijkt naar de massa die De Bijenkorf verlaat. Een op de vier slikt pillen tegen de depressie. Hij draait zich om naar een zinloze toerist en vraagt een vuurtje.