Erik leek helemaal niet in de war

Zes jaar zat Erik D. in een tbs-kliniek. Hij had op iemand geschoten en zou paranoïde schizofreen zijn. Vorig jaar werd vastgesteld dat dit zo goed als zeker niet het geval kan zijn geweest. Sinds een paar weken is hij weer thuis. Bij zijn ouders.

Nederland, Nijmegen, 26-7-2010 Bewakingscamera bij het terrein van de TBS gevangenis van de Pompestichting, pompekliniek. Foto: Flip Franssen
Nederland, Nijmegen, 26-7-2010 Bewakingscamera bij het terrein van de TBS gevangenis van de Pompestichting, pompekliniek. Foto: Flip Franssen

Op 17 maart beëindigde het gerechtshof in Arnhem per direct de tbs van Erik D. (42) uit Groningen. Hij had toen bijna zes jaar in de Pompekliniek in Nijmegen gezeten met de diagnose paranoïde schizofrenie. Maar uit onderzoek van het Pieter Baan Centrum bleek vorig jaar dat het „zo goed als uitgesloten” is dat hij hieraan leed. Bij nader inzien geeft ook de Pompekliniek de onderzoekers gelijk.

Erik D. kreeg de tbs in 2003 opgelegd nadat hij twee keer in de benen van een vrouw uit Hoogkerk had geschoten. Het Openbaar Ministerie had geen tbs geëist.

Erik D. wil niet met de pers praten, zijn ouders wel. Ina (60) en Anne (62) uit Groningen zitten naast elkaar in de werkkamer van Eriks advocaat, Erik de Mare. Op de vloer liggen stapels papier in mappen, de kasten puilen uit. Advocaat De Mare zit achter zijn bureau met uitzicht op een zonnige tuin. Hij kent de ouders van zijn cliënt sinds 2003 en zegt: „Zoiets als dit heb ik nog nooit meegemaakt.”

Vader Anne was vroeger poelier en zeilt catamaran. Gebruind hoofd, geel vest. Om zijn nek hangt een koker voor spullen die niet nat mogen worden. De moeder van Erik, Ina, is een kleine vrouw met een ernstige blik. Haar zoon woont weer thuis, Ina straalt als ze over hem spreekt.

Ina: „De eerste dagen dat Erik thuis was sliep hij alleen maar. Hij was heel moe. Nu begint hij langzaam weer de oude te worden. Hij maakt af en toe zelfs weer een grapje, toch?”

Anne: „Ja, maar hij is anders.”

Ina: „Hij is veranderd. Hij kan bij je zitten, maar je niet horen. Ik denk dat hij heeft geleerd zich af te sluiten. In de kliniek wilde hij niet meewerken. Er niet bij horen.”

Ina: „Ik zou om drie uur gebeld worden. Maar om twaalf voor drie ging de telefoon al. Hij kwam vrij. Ik wist niet waar ik het zoeken moest. Ik liep heen en weer door de kamer, ik huilde en juichte tegelijk. Ik belde Erik in de kliniek. Hij zei: ‘Ik weet het al.’ Maar papa moet me direct komen halen, ik word hier zo uitgeschopt’.”

Anne: „Hij zat in een lege kamer toen ik hem op kwam halen.”

Ina: „Alle jongens gunden hem zijn vrijlating.”

Anne: „Ze stonden achter de ramen met hun hemden te zwaaien toen we wegreden.”

Ina: „Dat heb je vaak, dat die jongens het elkaar niet gunnen. Maar Erik gunden ze het. De portier stak zijn duim op toen hij wegreed.”

Ina: „Erik is zeer geliefd bij veel mensen. Gek op kinderen en dieren.”

Anne: „Een heel vriendelijke jongen.”

Ina: „Van de week deden we boodschappen. Een medewerkster van de supermarkt liet alles uit haar handen vallen om hem te omhelzen.”

Anne: „Maar hij kan niet tegen onrechtvaardigheid.”

Ina: „Als iemand hem als kind ergens onterecht van beschuldigde, kon hij heel boos worden.”

De advocaat: „Erik is een buitengewoon sociale en aimabele jongen. Maar ook een aparte man. Hij heeft problemen met autoriteit. Een van zijn ex-vriendinnen vertelde aan het Pieter Baan Centrum dat hij nooit twee keer hetzelfde wilde uitleggen. Hij kan buitengewoon rigide zijn.”

Anne: „Ik ben net zo. Nee is nee. Dat is karakter.”

Ina: „Hij stond bij ons in de poelierszaak. Zestig uur werken in de week was gewoon.”

Anne: „Toen wij het rustiger aan wilden gaan doen, wilde hij de zaak niet overnemen. Het werk was het probleem niet, wel de medewerkers.”

Ina: „Dan was er iemand die twintig uur werkte en later kwam omdat-ie naar de tandarts moest. Daar kon Erik niet tegen.”

Anne: „We hebben de zaak overgedaan aan een oud-werknemer en zijn vrouw. De inventaris hadden ze van ons in bruikleen. De vrieskisten, de voorraden.”

Ina: „En toen hebben ze de zaak failliet laten gaan. Terwijl wij van buren hoorden dat ze een heel goeie Kerst hadden gedraaid. De zaak had vol gestaan. We waren verbaasd dat ze de week erna dicht waren. In de drukste tijd van het jaar.”

Anne: „Er werd beslag gelegd op de inventaris: we moesten maar met de curator gaan praten. We konden niet aantonen dat de spullen van ons waren. En de pacht...”

Ina: „Erik bemoeide zich er niet mee.”

Anne: „Ik heb niet gemerkt dat hij zich aan de gang van zaken heeft gestoord.”

Ina: „Op de dag dat hij werd aangehouden, was hij ’s middags nog bij ons geweest. Hij had wat kippenvleugeltjes meegegeten. Hij leek helemaal niet in de war.”

De advocaat: „Hij zou die avond de vrouw van de eigenaar in haar huis in Hoogkerk twee keer in de benen hebben geschoten. Gericht. Getuigen hoorden om 22.11 uur twee knallen en ze zagen twee lichtflitsen. Sommige zeiden dat ze een man daarna rustig zagen weglopen. Een kwartier later is Erik aangehouden in zijn woning.”

Anne: „De getuigen zeiden van alles. Erik was met de auto gekomen en met de fiets weggegaan. Of andersom.”

De advocaat: „Wij hebben de route nog nagefietst, hè Anne? Van Hoogkerk naar Eriks huis. Om te zien of Erik het gedaan kon hebben. Wij deden er veertien minuten over. Toen de politie aanbelde kwam hij onder de douche vandaan. Het kon nèt.”

Ina: „Er was een getuige die had gehoord dat de vrouw die is neergeschoten zei: ‘Hee, jij hier? Ik had je niet herkend.’”

De advocaat: „Erik heeft nooit iets willen zeggen. Niet tegen de politie en niet tegen de rechters op de zittingen. Hij was niemand een verklaring schuldig, vond hij. Zijn houding heeft niet geholpen. Bij de Groninger rechtbank zat hij alleen maar schamper te lachen. Zo van: zij denken toch dat ik schuldig ben. De rechtbank ergerde zich daaraan. Ze vonden hem blijkbaar zo raar dat ze concludeerden dat hij behandeld moest worden, ook al had het OM geen tbs geëist. In hoger beroep bij het hof in Leeuwarden weigerde hij te gaan zitten. Toen is hij uit de zaal verwijderd en kreeg hij weer tbs opgelegd.”

Anne: „We zagen hem voor het eerst na zijn arrestatie weer in de Marwei, de gevangenis in Leeuwarden. Je zegt alleen maar: hoe gáát het met je? We praatten niet over het schieten.”

Ina: „Hij zag er niet uit. Lang haar, lange nagels. Hij zei tegen niemand wat. Van een bewaarder hoorden we dat hij had geweigerd op de foto te gaan voor een pasje. Daarom kreeg hij geen washandje, geen kam, geen tandenborstel, geen scheerapparaat.”

Anne: „Ik belde de psychiater. De enige manier om hem te helpen was met medicijnen. Ik zei: doe maar. Maar dat wilde Erik niet.”

Ina: „Hij zei: ‘Ze hebben me gegijzeld, maar ik ben niet gek’.”

Anne: „Toen hij onder de douche stond hebben ze hem een injectie in zijn dijbeen gegeven.”

De advocaat: „Hij reageerde goed op die medicatie en kwam tot rust. Dat is het verneukeratieve. Ze dachten toen dat de medicijnen aansloegen.”

Ina: „Na het eerste bezoek wilde hij ons niet meer zien.”

Anne: „Hij wilde ons de vernedering besparen.”

Ina: „Elke week stuurden we kaartjes, maar hij reageerde nooit. Pas de laatste drie jaar hadden we telefonisch contact.”

De advocaat: „In de Pompekliniek zeiden ze hem dat hij er nooit uit kwam als hij die medicijnen niet nam. In die zes jaar is hij nooit met verlof geweest. Omdat hij niet wilde praten over het delict, konden ze de kans op herhaling niet inschatten. Hij is de deur niet uit geweest.”

Ina: „Zijn zoontje was een jaar toen Erik werd aangehouden. Ook hem wilde hij niet zien in de gevangenis.”

De advocaat: „Ik heb zelf een zoon die even oud is. Dat vond ik wel eens moeilijk. Je weet hoe belangrijk je bent voor een kind. Maar er viel niet met hem over te praten.”

Ina: „Onze kleinzoon lijkt op Erik. Weet ook wat hij wil.”

Anne: „Met hem hebben we het er nooit over gehad waar zijn vader was. Maar ik denk dat hij het wel wist.”

Ina: „Hij zei tegen anderen dat zijn vader in Frankrijk was. Ze hebben elkaar al gezien.”

Anne: Ik ben erbij weggelopen, veel te emotioneel.”

Ina: „Ik heb wel gekeken, heel even mijn hoofd om de hoek gestoken.”

Ina: „Jij denkt nog altijd dat hij het niet gedaan heeft hè.”

Anne: „Ik heb twijfels.”

Ina: „Ik had zelf iets veel ergers kunnen doen.”