Nieuwsfotografie is nu van het volk

Professionele foto- journalisten krijgen steeds meer concurrentie van amateurs. Het fotografie- museum Foam laat zien hoe ze daarop reageren.

Ze staan er stoer en zelfverzekerd. De Amerikaanse oorlogsfotograaf Stanley Greene met felle oogopslag en grote zilveren ringen aan zijn vingers, zijn collega Philip Blenkinsop de alweer oplettend een andere kant opkijkt. Voor hun project Photographers in Conflict legden Goran Galic en Gian-Reto Gredig 32 van hun collega’s vast tijdens het jaarlijkse festival voor de documentairefotografie in Perpignan. „Kijk naar die sterke lichamen”, zegt de Spaanse curator Carles Guerra, een van de samenstellers van de expositie Antiphotojournalism, nu te zien in het fotografiemuseum Foam in Amsterdam. „Zonder dit soort sterke individuen, is de fotojournalistiek niet mogelijk. Dat wilde ik laten zien.”

Guerra presenteerde Antiphotojournalism vorig jaar al in zijn eigen kunstcentrum La Virreina Centre de L’Image in Barcelona. Het doel van de makers is onderzoeken hoe fotojournalisten in deze tijd met hun vakgebied omgaan.

Professionele fotojournalisten krijgen steeds meer concurrentie van amateurs. Door internet, mobiele telefoons en digitale camera’s is de fotografie iets geworden wat iedereen doet. Daarmee zijn burgers actieve participanten geworden in de persfotografie. „Je zou nu kunnen zeggen dat de fotojournalistiek dood is, maar dat denk ik niet”, zegt Guerra. „De titel van de expositie is niet negatief bedoeld. Integendeel. De betekenis van het journalistieke beeld in onze samenleving is nog steeds van groot belang. Het is alleen tijd voor nieuwe werkwijzen en nieuwe manieren om een verhaal te vertellen.”

Desondanks wordt volgens Guerra de fotojournalistiek nog steeds beschouwd als een heilig genre waar je nauwelijks kritiek op mag uitoefenen. Hij verwijst naar Visa pour l’Image, het festival waar jaarlijks fotojournalisten en beeldredacteuren uit alle delen van de wereld bijeenkomen. ‘Een ritueel’ noemt Guerra wat daar plaatsvindt. „Elke keer worden er tientallen fotoreportages gepresenteerd met tekst en uitleg. We gaan ervan uit dat de fotograaf zijn leven heeft geriskeerd om ons deze unieke beelden te leveren die ons de waarheid vertellen over wat zich in een bepaald deel van de wereld afspeelt.” Indrukwekkend, dat wel, maar uiteindelijk, meent Guerra, is het maar de vraag wat ‘die waarheid’ inhoudt. „Als ik naar beelden kijk die gisteren zijn gemaakt in Libië, kan ik niet zeggen: deze beelden geven de waarheid weer. Wat een fotograaf vastlegt, is een verhaal maar nooit hét verhaal.”

Antiphotojournalism is dus vooral opgezet om vraagtekens te zetten bij klassieke opvattingen over fotojournalistiek. „We willen het zenuwstelsel van de documentairefotografie raken. Welke nieuwe werkwijzen hebben de absolute autoriteit van de oude manier van werken onderuit gehaald? Wat zijn de nieuwe manieren om nieuws in beeld te brengen en wat zijn nu de ideeën over wat nieuws zou kunnen zijn?”

Het antwoord op deze vragen levert een uitgebreide en gevarieerde expositie op, verdeeld over twee verdiepingen, met werk dat ook bestaat uit YouTube-filmpjes, dia’s en satellietopnames.

Zo is er van de Israëlische curator en filmmaakster Ariella Azoulay het werk Act of State 1967-2007 te zien, een beeldarchief over veertig jaar Israëlische bezetting van de Westoever en de Gazastrook. Met meer dan honderd beelden – opgedeeld in thema’s die gaan over ‘vrouwen’, ‘soldaten’ of ‘de muur’ – en afkomstig van meerdere fotografen, laat Azoulay zien dat een verhaal niet op een oorzakelijke manier hoeft te worden verteld om toch inzichtelijk te zijn. Ook speelt ze met bestaande vooroordelen over de verhouding tussen de Palestijnen en de Israëlische soldaten. Zo hangen er een paar foto’s van geboeide Palestijnen, geknield in de warme zon, die water krijgen toegediend van Israëlische soldaten. Maar een van die beelden is afkomstig van de Government Press Office. De vraag is dus: is het ‘authentiek’ wat je ziet, of toch een publiciteitsstunt?

Ook is er een video-opname te zien van Phil Collins, van een persconferentie vlak over de grens met Kosovo en Macedonië, waar twee Kosovaarse gezinnen worden gepresenteerd aan de internationale media en verslag doen van de gevolgen van de etnische zuivering in Kosovo in 1999. Collins registreert hoe een mediagebeurtenis ontstaat, maar ook hoe het onderwerp, de vluchteling, wordt geconstrueerd.

Kadir van Lohuizen deed voor zijn werk Diamond Matters in 2004 en 2005 uitgebreid onderzoek naar de diamantindustrie in negen landen. „Wat ik zo mooi vind is dat er een analogie bestaat tussen het verhaal van de diamanthandel en de foto’s”, zegt Guerra. „Beide vinden hun oorsprong in het leed van anderen en hebben middels een ingewikkeld handelsnetwerk, hun weg gevonden naar een rijk, welvarend deel van de wereld.”

Terwijl de fotojournalistiek nieuwe wegen inslaat, is er volgens Guerra in de loop der jaren altijd één ding onveranderlijk gebleken. „De publieke opinie is altijd afhankelijk geweest van beelden die in conflictgebieden worden gemaakt. Alleen is nu het moment van opname tot aan publicatie, ineengeschoven. Een beeld kan ergens worden gemaakt, meteen op het net worden geplaatst en onmiddellijk reacties losmaken.”

Aan deze ontwikkeling wil Guerra geen waardeoordeel verbinden. „Het feit dat zoveel mensen tijdens de Iraanse verkiezingsprotesten de gebeurtenissen op straat hebben gefotografeerd, heeft destijds de publieke opinie snel en op een efficiënte manier wereldwijd beïnvloed. Dat kun je opvatten als iets positiefs.” Maar geldt dat ook voor bijvoorbeeld de foto’s die een paar jaar terug uit Abu Ghraib werden vrijgegeven? „Toen in 2003 de beelden die Amerikaanse soldaten hadden gemaakt van Iraakse gedetineerden naar buiten kwamen, zei een bekende fotojournalist mij: ‘Wat valt er voor mij nu nog te doen?’” De beelden ondermijnden bovendien nog een ander belangrijk aspect van de fotojournalistiek: die van de fotograaf als objectieve observator. „Deze beelden waren immers gemaakt door iemand die medeplichtig was aan de misdaden die werden getoond. Zeer paradoxaal.”

Wat Antiphotojournalism tot een sterke expositie maakt, is dat Keenan en Guerra zich niet alleen richten tot een nieuwe generatie fotografen die op een andere manier journalistiek bedrijven, maar ook werk tonen van ‘oude rotten in het vak’, zoals de Magnumfotografen Susan Meiselas en Paul Fusco. „Zij dachten al heel vroeg na over de verschillende manieren waarop je een verhaal kunt vertellen”, zegt Guerra. Van Meiselas koos hij voor het werk Kurdistan (1997), waarvan foto’s in twee vitrines liggen, en voor de site akaKurdistan.com. „In 1991 ging Meiselas naar de dorpen die waren achtergelaten door Koerden die tijdens de eerste Golfoorlog uit Irak naar Turkije en Iran waren gevlucht. Als bewijs voor de wandaden van Saddam Hussein besloot ze niet de dode lichamen van de Koerden te fotograferen maar de visuele geschiedenis van een volk bijeen te brengen. Dat deed ze door foto’s van families, verzamelaars en uit archieven op te kopen. Door de collectieve geschiedenis van de Koerden bijeen te brengen, liet ze zien dat Hussein zich, afgezien van moord, ook schuldig had gemaakt aan het uiteenslaan van een maatschappij.”

Van Fusco koos Guerra een selectie uit de diaserie RFK Funeral Train. „In 1968 werd het lichaam van de vermoorde presidentskandidaat Robert F. Kennedy per trein van New York naar Washington D.C. vervoerd. Fusco fotografeerde de hele dag de mensen langs het spoor. Het resultaat is een indrukwekkend portret van de Amerikaanse samenleving. Iedereen staat langs dat spoor: blank, zwart, jong oud.”

Wat Guerra opvallend vindt, is dat Fusco, in een tijd dat de fotojournalisten zich over het algemeen nog heel traditioneel opstelden, zijn camera niet op de kist met het lichaam richtte maar juist zijn lens de andere kant op draaide. „Hij was vooral geïnteresseerd in de mensen die deelnamen aan deze historische gebeurtenis. Hij bood daarmee een andere focus op de geschiedenis. Dat hij dat veertig jaar geleden al deed, vind ik geweldig.”

Antiphotojournalism. Foam, Keizersgracht 609, t/m 8 juni. Dag 10-18u.; do en vr 10-21u. Inl. foam.org