'Ik ben een ridder van de schoonheid'

Jan Fabre vertelt over de nieuwe beelden die hij van botten en bloed, brons en vliegtuiglak maakte voor de expositie in museum Kröller-Müller – zijn grootste tot nu toe in Nederland.

Otterlo, maart 2010 Hortus Corpus; tentoonstelling van de Belgische kunstenaar Jan Fabre in het Kroller Muller Museum. Foto: Walter Herfst
Otterlo, maart 2010 Hortus Corpus; tentoonstelling van de Belgische kunstenaar Jan Fabre in het Kroller Muller Museum. Foto: Walter Herfst

Hij is verdediger van het kwetsbare, ridder van de schoonheid, koning van het atelier, keizer van het verlies, engel van de metamorfose. Hij is ook een mens, een man die honger heeft, die misschien op dit moment ook wel moet plassen, in wiens binnenste zich ook nog processen afspelen waar hij geen weet van heeft. Haar voel je niet grijzer worden.

Jan Fabre (Antwerpen, 1958) zou de eerste zijn om de tegenstelling in de vorige zinnen te ontkrachten. Hemels en aards, verheven en banaal; het contrast wordt in zijn werk juist opgeheven. Goud is stro. Punaises zijn pailletten.

Fabre is sinds begin jaren tachtig een steeds gevierder theater- en beeldenmaker. Drie jaar geleden exposeerde hij in het Louvre in Parijs tussen de oude meesters, als eerste levende kunstenaar. Zaterdag opent in museum Kröller-Müller op de Veluwe ‘Hortus/Corpus’, de omvangrijkste tentoonstelling die in Nederland van zijn beeldende werk is gehouden. Fabre meet er de wolken, ment er zijn eigen brein, zet zichzelf een paar hoorns op, geeft vuur, toont beelden bedekt met goudkleurige pailletten die van dichtbij punaises blijken te zijn. Het menselijk lichaam kan opeens alle kanten op.

Op deze tentoonstelling lijkt Fabres werk afkomstig van een middeleeuwse modernist. Van een alchemist. Marguerite Yourcenar schreef in Het hermetisch zwart over haar alchemist: „Na al die jaren besteed aan het ontleden van de menselijke machine, verweet hij zichzelf dat hij zich niet met grotere vermetelheid had geworpen op de verkenning van dat door huid begrensde rijk, waarvan wij ons vorsten wanen en waarin wij gevangen zijn.” Fabre ís vermeteler. Hij is vorst en gevangene, met evenveel overtuiging.

Op een zaterdag in maart voor de tentoonstelling opengaat, heeft de ridder van de schoonheid inderdaad honger, komt de keizer van het verlies net met een taxi uit Brussel, is de engel van de metamorfose charmant concreet en hoopgevend hoogdravend. De koning van het atelier roddelt en orakelt. Zijn woorden hoeven niet altijd begrijpelijk te zijn. Het zijn soms net beelden. Pratend loopt hij er naar één toe, en komt zichzelf tegen.

In de tuin van het Kröller-Müller staan onder de titel Hoofdstukken achttien portretten van u, bustes uitgevoerd in goudkleurig brons. Is dat ijdelheid?

„Nee, dat is Elckerlyc. Elkerlyc is iedereen, jan en alleman, zoals in het middeleeuwse toneelstuk. Ik word gefascineerd door zelfportretten. Acht verschillende portretten lijkt misschien schizofreen, maar volgens mij is iedereen schizofreen. Iedereen draagt verschillend persoonlijkheden in zich, is meer mensen of menstypes tegelijk. De portretten zijn niet allemaal vleiend. Ik sta er ook met ezelsoren, als domoor met een lange neus zoals Pinocchio, met de hoorns opgezet.”

De beeldentuin van het Kröller-Müller is beroemd. Heeft u daar speciaal werk voor gemaakt?

„Nou, een van de geweien uit Hoofdstukken is vorig jaar hier op de Veluwe gevonden. Ongelofelijk hè, dat zo’n dier dat in een jaar kan laten groeien. Maar ik heb me aan mijn eigen thema’s gehouden, ik ben niet opeens land art gaan maken.”

De tentoonstelling heet ‘Hortus/Corpus’. Speelt de tuin toch een belangrijke rol in de tentoonstelling?

„Als hortus conclusus, omsloten ruimte. Die kun je ook zien als metafoor van het menselijk lichaam. Wat binnen in het lichaam zit, breng ik naar buiten of probeer ik te beschermen met een nieuw skelet.”

In het Louvre stond uw werk tussen de vaste collectie. Hebben ze u gevraagd dat hier ook te doen?

„Ja. Maar na die tentoonstelling in het Louvre kreeg ik allerlei aanbiedingen voor soortgelijke tentoonstellingen, bijvoorbeeld van de Hermitage in Sint Petersburg. De tentoonstelling in het Louvre was ook een groot succes. Meer dan een miljoen bezoekers! Maar ik wil mezelf niet herhalen. Je moet tentoonstellingen in het algemeen doseren. Ik krijg tegenwoordig wel vijftig aanbiedingen per maand. Tegen 49 zeg ik nee.”

Waarom zei u ja tegen het Kröller-Müller?

„Het is een geweldig museum. Als jonge gast van een jaar of twintig ben ik hier geweest om de minimalistische kunst te zien, Carl Andre. En ze hebben natuurlijk geweldige Van Goghs en Ensors. Wat ik ook belangrijk vind, is dat ze niet met de mode meedoen. Ze brengen geen kunstenaars waar iedereen voor opspringt en vijf jaar later hoor je er niets meer van. Hier doen ze weinig maar wat ze doen doen ze heel goed. En het is geweldig dat het zo ver van de stad is. Het museum in een bos, hier komen is een soort rite de passage, je gaat een andere wereld binnen, die van de kunst. Je moet de tijd nemen, de rust vinden. Dat is mooi. Ik ben een ridder van de schoonheid. Ik ben tegen het cynisme in de kunst. Op cynisme zal je mij nooit betrappen, wel op ernst en ironie.”

Vindt u het een Nederlands museum?

„Het heeft wel iets calvinistisch. Soms zijn clichés waar. Vlaamse kunst is katholiek, Nederlandse calvinistisch. Kijk naar het verschil tussen Mondriaan en Ensor, tussen zakelijk en bourgondisch. Bosch en Breughel zijn mijn helden. Ik steel nog steeds van ze. Belgische kunst is visceraal.

„De Nederlandse kunstwereld is wel veel beter georganiseerd dan de Belgische. Ik weet nog dat ik in 1980 een performance deed in De Appel in Amsterdam en 250 gulden kreeg. Dat was iets ongehoords. Ik voelde me zo rijk. Maar dat ongeorganiseerde heeft ook goede kanten. Mijn generatie kunstenaars bestaat uit individuen die er dankzij eigen initiatief gekomen zijn. Ze kregen geen staatssteun, ze hebben zich in afzondering kunnen ontwikkelen. Ik ben geen komeet, mijn ster is langzaam gerezen.”

Bent u een Belgisch kunstenaar?

„Ja. Ik ben niet zo katholiek opgevoed, maar dat krijg je toch mee. In België is het model van Christus veel belangrijker dan in Nederland. De middeleeuwse mystiek leeft nog voor mij.”

Wat is het model van Christus?

„In Vlaanderen werden we opgevoed met de stigmata, met de wonden van Christus. Hier is men toch minder gekwetst door de Katholieke Kerk. Misbruik van kinderen was in België veel gewoner dan in Nederland, ik zou bijna zeggen wie is hier niet misbruikt? Als instituut heeft de Kerk veel slechts gedaan. Toch houd ik van de Kerk als spirituele plek. In de jaren tachtig ging ik vaak naar Polen, daar was de Kerk een plek waar kunstenaars veilig waren. Ken je de afbeeldingen van een pelikaan die zijn borst stuk prikt om met zijn eigen bloed zijn kinderen te kunnen voeden? Het idee van Christus die zich offert blijft een mooi idee, iemand die andere mensen wil helpen. Zeker in deze cynische tijden is dat mooi. Veel beeldende kunst gaat tegenwoordig over media en commercie. Daar wil ik niet aan meedoen.

„Ik heb naast het model van Christus een ander model willen zetten. Ik heb voor deze tentoonstelling twee nieuwe beelden gemaakt, een vagina en een penis opgebouwd uit kleine stukjes menselijk bot, De toekomstige barmhartige vagina en De toekomstige barmhartige fallus. Dit bot kan niet meer bloeden, deze organen kunnen niet meer gekwetst worden. Eerder al maakte ik een mannelijk en een vrouwelijk hart van bot. Zo zou het menselijk lichaam kunnen transformeren. Het is een utopische visie. Naast de gewone wereld creëer ik die van mij.”

De vier organen liggen op de tentoonstelling op botten van glas. Waarom?

„Het zijn zo een soort verglaasde fossielen, bergen botten zoals je wel in oude kerken ziet maar dan nu van glas, zo kunnen ze nog minder vergaan.

„Kunst gaat voor mij altijd over transformatie, over metamorfose. Ik ben nu bezig in Carrara mijn beelden van het brein, die ook op deze tentoonstelling te zien zijn, in marmer uit te voeren. Ik ben al in de jaren tachtig begonnen met het tekenen met mijn tranen, met mijn eigen bloed, met het menstruatiebloed van mijn eerste vriendin. Ik begon te schilderen met bloed nadat ik in Brugge een tentoonstelling had gezien van de Vlaamse primitieven, anonieme meesters die telkens weer de wonden van Christus en van heiligen schilderen. Later leerde ik dat deze schilders soms bloed door hun verf mengden. Witte verf werd dan weer van menselijk bot gemaakt. Zo gezien doe ik niets nieuws. Het menselijk lichaam en zijn producten zijn geen afval. Waarom zouden we zweet, sperma, bloed en urine steeds verbergen? Ik provoceer niet expres, het gaat vanzelf. Ik wil de kracht van het kwetsbare verdedigen. Volgens mij is iedereen gefascineerd door zijn lichaam. Heb jij nooit voor de spiegel je borsten en je vagina bestudeerd?”

Op de tentoonstelling ligt ook één heel lichaam, een beeld van een Afrikaanse man, wiens rug is overdekt met littekens van zweepslagen. Hij ligt op een vlakte van juweelkeverschildjes, een stuk naar beneden gevallen plafond.

„Dat werk is een reactie op ‘Heaven of Delight’, het is een kritiek op mijn eigen werk. Het plafond van de spiegelzaal in het Koninklijk Paleis in Brussel heb ik in 2002 helemaal bedekt met keverschilden. Dat glanst zo mooi; ik schilder daar niet met verf maar met licht. Maar de schilden waren aangebracht in mozaïek; je kon in de schilden bijvoorbeeld de contouren zien van afgehakte giraffenpoten. Maar die kritiek op het koloniaal verleden van het Belgisch koningshuis is toen helemaal niet opgevallen, iedereen bleef steken bij de esthetiek van de glanzende keverschilden. Dus heb ik in 2008 een nieuw werk gemaakt, getiteld Ik heb een stuk van het plafond van het koninklijk paleis moeten uitbreken omdat er iets uit groeide. Daar hangen nu elf nieuwe werken van keverschilden omheen, die ik dit jaar gemaakt heb met daarin beelden te herkennen van mensen en dingen die met Belgisch Congo te maken hebben, bijvoorbeeld portretten van koning Leopold II en van Lumumba, het logo van het Belgische chocolademerk Côte d’Or en een kind met een afgehakte hand.”

Hoe komt u aan al die keverschilden? Het moeten er miljoenen zijn.

„Keverschild is een geweldig materiaal. De juweelkever, de scarabee, heeft een uitwendig skelet, wij een inwendig skelet. Dat exoskelet is gemaakt van chitine, het is een van de hardste en lichtste materialen ter wereld. Ik krijg de schilden van universiteiten en restaurants. Net als bij mosselen de schelpen worden bij het eten van kevers de schilden weggegooid. Voor het plafond en de kroonluchter in de spiegelzaal waren er anderhalf miljoen nodig.

„Dieren zijn de beste dokters en filosofen van deze wereld. Ik noem de kever vaak de oudste computer ter wereld. Kevers bestaan al 400 miljoen jaar, veel langer dan mensen. Over overleven kunnen ze ons wel wat leren.”

Op de tentoonstelling zijn ook vroege tekeningen te zien. Daar staan al kevers op en andere motieven die u nu nog gebruikt. Het lijkt soms alsof uw werk zich niet in de traditionele zin heeft ontwikkeld, maar dat u uw ideeën alleen in andere materialen bent gaan uitvoeren. Van potlood naar brons, van bic blauw naar brons.

„Ik werk in de diepte. Mijn atelier is mijn land, mijn werken zijn de wetten, ik ben de koning. Ik ben systematisch voor het experiment. Deze tentoonstelling is geen retrospectief, ik heb alleen twee sporen in mijn werk gevolgd, dat van het menselijk lichaam en van het uitwendig skelet. Het skelet kun je zien als een emanatie van de geest.”

Maakt u nog veel zelf?

„Ik kan niet bronsgieten of glasblazen, maar als het enigszins kan voer ik werk zelf uit. De hoofden voor Hoofdstukken heb ik zelf geboetseerd in was. Daarna zijn ze door anderen in brons gegoten. Om het brons zo goudkleurig te houden zit er vliegtuiglak op. Voor mij is de avant-garde geworteld in ambacht. Dat is bij de meeste kunstenaars niet meer zo. Tony Cragg heeft twintig assistenten, Jeff Koons vijftig, Damien Hirst honderd. Ik heb er voor mijn beeldende werk twee.”

In het Kröller-Müller hangt een tekening uit 1979 van een fontein, ‘The Fountain of the world’. Een erecte penis is de spuit van de fontein. Op de grond ervoor ligt een verwezenlijking van dit idee uit 2008, een naar u zelf gemodelleerde pop met ontbloot geslacht tussen een stapel grafzerken getiteld ‘Fontein van de wereld, (als jonge kunstenaar).’

„Ik heb dat eerst getekend. Ik teken al jaren met sperma, zoals ik ook met bloed en tranen teken. Daarna heb ik het idee als performance uitgevoerd. Nu is het een beeld. Ik hoop dat het ooit een echte fontein wordt. Misschien gebeurt dat wel binnenkort.”

Jan Fabre, Hortus/Corpus. Museum Kröller-Müller, Houtkampweg 6, Otterlo. 10 april t/m 3 september. Di t/m zo 10-17 uur. Inl. kmm.nl.