'Opzet cultuurkaart is te ingewikkeld'

De cultuurkaart, bedoeld voor scholieren in het voortgezet onderwijs, is te ingewikkeld van opzet. Scholen moeten aan veel procedures en regels voldoen om het tegoed op de kaart te kunnen besteden. Ook is onduidelijk waar de kaart wel en niet aan mag worden besteed. Dat leidt soms tot oneigenlijk gebruik van de kaart.

Dit schrijft de Algemene Rekenkamer in een rapport over de cultuurkaart dat gisteren is verschenen. De cultuurkaart is er om scholieren in het voortgezet onderwijs vaker in contact te laten komen met kunst.

In het regeerakkoord schreef het kabinet-Rutte de kaart te willen afschaffen. In december zei staatssecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) te onderzoeken of de kaart toch in aangepaste vorm kan worden voortgezet.

De overheid geeft jaarlijks 15,5 miljoen euro uit aan de cultuurkaart. De scholieren kunnen het tegoed op hun kaart à 15 euro zelf besteden of klassikaal. Het gros van de leerlingen blijkt met de klas naar een workshop of een voorstelling te gaan. Bijna alle scholen vragen de cultuurkaart aan, zo blijkt.

Het vaakst brengen de scholieren een bezoek aan ‘centra voor cultuur’ (18 procent), zoals muziek- en dansscholen. Daarna volgen theater (15 procent) en een theatergezelschap dat op school komt (11 procent).

Scholen hebben volgens de Rekenkamer vooral last van de administratieve rompslomp van de kaart. Zo moeten de scholieren de kaart zelf via de computer activeren, voordat de docent een klassikaal uitje kan organiseren. De organisatie CJP, belast met de uitvoering, bestrijdt dit.

Directeur Walter Groenen: „De Rekenkamer baseert zich op het eerste jaar van de kaart, die in 2008 is ingevoerd. Sindsdien zijn de administratieve lasten verlicht. Scholieren moeten de kaart zelf activeren omdat ze zo meer betrokken raken bij de keuze voor een bepaald project. De Rekenkamer noemt dat administratieve lasten, wij vinden dat onderwijs.”

Het ‘oneigenlijk gebruik’ bestaat er onder meer uit dat scholen het busvervoer met de kaart financieren (dat mag alleen als een museum het vervoer in een ‘totaalpakket’ aanbiedt); of dat ze voor langere tijd een kunstdocent inhuren (alleen een gastdocent voor een enkele les mag).

Bij de invoering van de CJP-pas, de voorloper van de cultuurkaart, vreesde men dat scholieren vooral naar de film zouden gaan. Dat gaat slechts op voor 4 procent van het gebruik.