'Opeens zag Libië ons als de vijand'

Hij wil één ding heel duidelijk stellen: „Wij waren hier uit vrije wil. Anders doe je dit niet.” Met Buitenlandse Zaken in Den Haag hebben ze al die tijd in Libië bijna dagelijks contact gehad. „Zowel de Nederlandse ambassade in Tripoli als Buitenlandse Zaken heeft er alles aan gedaan om ons te overtuigen om te vertrekken.”

De 54-jarige Wouter Loomen is een van de drie Nederlanders die onverwacht zijn opgedoken in de Libische rebellenhoofdstad Benghazi. Ze behoorden tot een kleine groep Nederlanders die al jaren in Libië woont en werkt en nu, tot hun eigen verbazing, werd ingehaald door de gevechten.

Met Anton van Delft en Ferry Wichman werkte Loomen op een olie- en gasinstallatie in Zuweitina nabij Ajdabya, waar de voorbije weken zwaar is gevochten tussen het Libische leger en de opstandelingen. De 62-jarige Van Delft is gisteren in Benghazi overleden aan een hersenbloeding.

Dat drie Nederlanders de voorbije maand gewoon aan het werk zijn geweest op een plek die regelmatig de frontlijn is geweest in het Libische conflict kan verbazing wekken. Loomen benadrukt dat hij en zijn collega’s „op geen enkel moment het gevoel hebben gehad dat het te link was”.

Loomenwerkt al 26 jaar in Libië; Van Delft al zo’n dertig jaar. „Ik was hier toen de yanks Libië bombardeerden in 1986. Dat was veel linker dan nu, maar zelfs toen zijn wij met rust gelaten. Nu waren de mensen zo mogelijk nog vriendelijker dan gewoonlijk.”

Dat veranderde op 19 maart toen de luchtaanvallen van de internationale coalitie begonnen. Loomen heeft toen zelf Buitenlandse Zaken gebeld. Hij zei, vertelt hij: „Jongens, de situatie is nu drastisch veranderd, nu zijn wij de vijand.”

Minister Rosenthal van Buitenlandse Zaken zei vanmiddag na de ministerraad dat het drietal „van meet af aan geadviseerd [was] om niet in Libië te blijven”. Ze waren de laatste drie, volgens Rosenthal.

Loomen is aangedaan door Van Delfts dood, het gevolg van een combinatie van factoren, zegt hij. Van Delft was epilepsiepatiënt. Hij had daar medicijnen voor, maar een deel van zijn voorraad is gestolen toen de soldaten van Gaddafi half maart gedurende twee dagen de olie- en gasinstallatie in Zuweitina bezetten. „We weten niet of het de soldaten zijn die dat gedaan hebben.” De medicijnen zaten bij andere gestolen spullen.

Woensdagmiddag werd duidelijk dat Van Delfts gezondheidssituatie acuut was. Dat was ook het moment dat de Gaddafi-troepen, die eerder door de rebellen waren teruggeslagen tot Sirte, opnieuw hun richting uitkwamen. De situatie was niet dezelfde als toen de Gaddafi-troepen twee weken eerder waren voorbijgekomen op weg naar Benghazi. „Ondertussen waren de luchtaanvallen begonnen; wij waren als Nederlanders niet langer neutraal”, zegt Loomen. „We hadden afgesproken dat we naar Benghazi zouden vertrekken zodra de troepen van Gaddafi voorbij Brega waren.” Om kwart over vijf woensdagmiddag vertrokken ze uit de terminal; twee uur later waren ze in Benghazi in de flat van hun Libische baas. Daar kreeg Van Delft rond middernacht een epilepsie-aanval. De volgende ochtend, zegt Loomen, was hij erg verzwakt. Toen Loomen om zes uur ’s avonds terugkeerde in de flat, trof hij Van Delft levenloos aan op de vloer. Een hersenbloeding, bleek later in het ziekenhuis in Benghazi.

Waarom zijn ze niet eerder vertrokken, bijvoorbeeld naar de relatieve veiligheid van Benghazi? „We zagen er gewoon de noodzaak niet van in”, zegt Loomen. „Zelfs toen er gevochten werd om Ajdabiya gebeurde dat op 20 kilometer afstand.” Van het hoofdkwartier in Tripoli hadden ze de keuze gekregen: blijven of vertrekken. Ze zijn gebleven. „Iemand moest toch zorgen voor het onderhoud van de installaties?”

De twee dagen dat de Gaddafi-troepen de terminal hebben bezet, waren „niet prettig, geeft Loomen toe. „De soldaten waren erg hyper. Dat snap ik wel: ze bevonden zich in gebied dat aan de kant stond van de opstandelingen en iedereen kon de vijand zijn. Dus je doet gewoon wat ze zeggen.”

Wellicht hadden ze eerder moeten beseffen dat Van Delft bijna door zijn voorraad medicijnen was. In Benghazi zijn de apotheken wel open. Waarom zo lang gewacht? „Ton was ondanks zijn leeftijd onwijs fit en robuust. Dat maakte het moeilijk voor mensen rondom hem om in te schatten hoe ernstig de situatie was.”

De repatriëring van het lichaam is een probleem omdat de Nederlandse ambassade in Tripoli zit, aan de andere kant van de frontlijn. Mogelijk kan een Turks schip in de buurt helpen. Loomen wil graag nog terug naar Zuweitina om Van Delfts persoonlijke spullen op te halen.

CIA in Libië; gezant Gaddafi overlegt in Londen: pagina 2-3