Martin Bosma heeft mijn vader niet goed begrepen

In zijn column (Opinie, 30 maart) bespreekt Martin Bosma het artikel ‘Een-partijstaat Nederland’, dat mijn onlangs overleden vader schreef in 1990. Het staat iedereen vrij om welk geschrift ook naar eigen vermogen te interpreteren, maar toen ik Bosma’s column las, dacht ik: het lijk is nog niet koud of ze gaan al ervandoor met het tafelzilver.

In zijn stuk, dat indertijd de nodige ophef veroorzaakte, signaleert mijn vader, de Rotterdamse hoogleraar moderne geschiedenis J.W. Oerlemans, hoe politieke partijen hun identiteit verliezen als gevolg van een gebrek aan ondubbelzinnige beginselen. Hierdoor verworden politici volgens hem tot mensen die louter handelen uit persoonlijke motieven, zonder enige ideologische gedrevenheid.

Hij verweet politici dat ze hun eigen carrière boven hun feitelijke taak als volksvertegenwoordiger stellen. Hij nam het de partijen bovendien kwalijk dat ze onderling vaak al consensus hadden bereikt voordat ze begonnen aan de publieke discussie.

Een belangrijk detail van het stuk is dat het begrip ‘volksvertegenwoordiger’ nog eens wordt gedefinieerd. Een volksvertegenwoordiger dient in de eerste plaats het volk. Zijn dienstbaarheid hoort te zijn gebaseerd op onwrikbare, ideologische overtuigingen. Oerlemans schetste ook wat je krijgt als aan die twee voorwaarden niet wordt voldaan – iemand die „met narcistische willekeur dwaasheden verzint en spilzieke plannen opzet waar geen burger om heeft gevraagd. Graag zal hij zich overgeven aan de mode van de dag omdat daaraan de minste risico’s zijn verbonden en zijn ijdelheid daarmee het meest is gebaat. Zijn eerste zorg is immers zichzelf te ‘profileren’, onverschillig of hij met zijn plannen verwarring sticht, ongeacht of zijn beleid chaotische gevolgen heeft”.

Dit zijn profetische regels. Je kunt zowel Bosma als Wilders erin herkennen. We kunnen immers vaststellen dat het volk niet gebaat is bij de even krankzinnige als nutteloze theorie dat de profeet Mohammed leed aan een hersenziekte. In het algemeen zit de burger niet te wachten op de geforceerde onderbouwing van het dogma dat iets mankeert aan een wereldgodsdienst, of op de particuliere stelling van Bosma dat Adolf Hitler eigenlijk een rooie rakker was. Hoe interessant deze vragen ook zijn, de burgers en de rust in het land zijn hiermee niet gediend.

Bosma lijkt de strekking van het stuk te hebben begrepen. Wat mij betreft mag hij het ingelijst boven zijn bed hangen, maar de essentie is hem ontgaan: „De democratische politicus wordt geacht juist in de eerste plaats de maatschappelijke belangen, zo niet het levensgeluk van anderen te behartigen.”

Misschien kan Bosma die regels onderstrepen en ze voor het slapengaan zacht voor zich uit prevelen.

Rik Oerlemans

Breda