Kaligigant Potash speelt sleutelrol in de wereldwijde voedselvoorziening

Kalium is in korte tijd uitgeroeid van een oersaai ingrediënt van kunststof tot een felbegeerde grondstof voor de voedselvoorziening. Canada koestert zijn ‘strategische reserve’, met Potash in de hoofdrol.

Een schacht van een kilometer diep biedt toegang tot een wijdvertakte mijn in de ijzige Canadese provincie Saskatchewan. Hier, diep in de bodem van de Noord-Amerikaanse prairies, graven mijnwerkers van Potash Corporation naar een gewilde voedingsstof voor de wereldwijde landbouwproductie. Ze maken overuren om in de groeiende internationale vraag te voorzien naar ‘potash’ (kaliumhoudende mineralen), een cruciaal middel bij de bestrijding van het tekort aan voedsel op aarde.

Drieënhalve minuut duurt de rit met een industrielift naar beneden. Dan gaat de tocht verder per jeep, door een ondergronds doolhof van lange, donkere gangen die slechts worden verlicht door de koplampen. Na twaalf kilometer rijden in een gortdroge warmte met zoutig stof in de lucht, doemt een felverlichte werkplaats op, met een reusachtige boormachine. Die machine houwt zich met oorverdovend kabaal langzaam een baan in de lichtrode mineraalwand.

„Het rozerode materiaal dat je ziet is potash”, roept Phil Gauer, opzichter van de mijnoperaties, boven het lawaai uit. „De boormachine levert 500 à 600 ton per uur op, er zijn zeven boormachines aan het werk op verschillende plekken van deze mijn. We graven een laag af van ruim drie meter hoog, want die is van de meest pure kwaliteit.”

Het is moeilijk voor te stellen, maar de grondstof die hier door mijnwerkers uit de aardkorst wordt geboord, zal helpen om miljoenen mensen aan de andere kant van de wereld van voedsel te voorzien. Boeren in onder meer China, India, Zuidoost-Azië en Zuid-Amerika gebruiken de kaliumhoudende mineralen uit de Canadese bodem, verwerkt in kunstmest, om hun verweerde landbouwgronden te verrijken, zodat de opbrengst van gewassen aanmerkelijk kan worden verhoogd – soms met de helft of meer.

Dat is hard nodig om de voedselvoorziening in de pas te laten lopen met de snelle aanwas van de wereldbevolking. Volgens ramingen van de Verenigde Naties zal die van 6,8 miljard mensen nu oplopen tot 9 miljard in 2050, en moet de voedselproductie in die periode toenemen met 70 procent. De sleutel tot de vereiste, forse verhogingen van de landbouwproductie is de toediening aan de bodem van cruciale voedingsstoffen als kalium.

„De uitdaging is om meer te verbouwen, met een hogere kwaliteit, op dezelfde hoeveelheid landbouwgrond”, aldus Bill Doyle, bestuursvoorzitter van Potash Corporation, de wereldwijde marktleider in de sector die in 2010 een vijandig overnamebod afsloeg van de Brits-Australische mijngigant BHP Billiton. „Dat vergt veel van de voedingsstoffen in de bodem, en dus is er meer potash nodig om, in de juiste balans met fosfaat en stikstof, te voorzien in de voedingsstoffen die nodig zijn om gewassen te laten groeien.”

Om die reden is kalium in de afgelopen vijf jaar uitgegroeid van een nagenoeg onbekend, oersaai ingrediënt van kunstmest tot een van de meer begeerde grondstoffen op aarde – en zijn kaliproducenten na jarenlange anonimiteit doorgebroken als lucratieve sterondernemingen in de mijnwereld.

„Potash heeft niet het prestige of de universele bekendheid van een grondstof als ruwe olie”, zegt Jeff Schoenau, een bodemwetenschapper aan de Universiteit van Saskatchewan. „Toch is het even belangrijk voor de mens. Meststof is een bron van energie, net als benzine.”

De nieuwe internationale erkenning voor kalimineralen als een onontbeerlijke brandstof van internationale groei gaat echter gepaard met groeipijnen in de sector. De kali-industrie, die decennialang vrijwel onopgemerkt voortkabbelde in voornamelijk Canada en Rusland, heeft sinds de internationale voedselcrisis van 2007 en 2008 te maken gekregen met wilde prijsschommelingen, consolidatie, een vijandige overnamestrijd rond Potash Corporation, en miljardeninvesteringen om de productie drastisch op te voeren.

„Tot enkele jaren geleden was er altijd meer aanbod dan vraag op de wereldmarkt”, zegt Bill Johnson, woordvoerder van Potash Corporation in het prairiestadje Saskatoon. „Sinds 2005 is de vraag sterk opgelopen, waardoor vraag en aanbod meer aan elkaar gewaagd zijn geraakt.”

Het bedrijf werkt aan forse uitbreidingen, waaronder vijf mijnen in Saskatchewan – een ambitieus investeringsprogramma van 7 miljard dollar (5,1 miljard euro). Wegens de lange bouwtijd duurt het jaren voordat het aanbod de vraag weer inhaalt, zegt Johnson.

In de tussentijd is de vraag hoe de prijs van kalimineralen in toom kan worden gehouden, om een herhaling te voorkomen van de kaligekte bij de laatste voedselcrisis. In 2008 liep de vraag zo drastisch op, dat de prijs omhoogschoot van ongeveer 200 dollar per ton tot 1.000 dollar.

De marktwaarde van kaliproducenten steeg mee: marktleider Potash groeide tijdelijk uit tot het grootste bedrijf van Canada; het aandeel Potash, dat tot 2007 zelden meer had opgebracht dan een tientje, bereikte een duizelingwekkende waarde van 240 dollar.

De sterk opgepompte prijs van kalium had echter een scherpe varkenscyclus tot gevolg: boeren konden zich geen kunstmest veroorloven, en stelden aankopen uit. In 2009 stortte de markt in en kelderde de prijs tot rond de 300 dollar per ton; ook de koersen van kaliproducenten zakten in, mede door de financiële crisis – aanleiding voor BHP Billiton om te proberen zijn intrede te doen in de veelbelovende sector door Potash voor een schappelijke prijs op te slokken. De beoogde overname, ter waarde van 39 miljard dollar, moest van BHP in één klap marktleider maken.

Dat ging niet door. Het bod werd vorig najaar geblokkeerd door de Canadese regering, na een felle campagne door Potash en Saskatchewan. BHP zou een „strategische reserve” wegkapen, vond de provincie. Het bod van 130 dollar per aandeel zou bovendien een sterke onderwaardering zijn van het bedrijf, dat wegens de voorspelde wereldbehoefte aan kunstmest een enorm potentieel heeft, betoogde bestuursvoorzitter Doyle. „De waarde van dit bedrijf ligt ver boven de 170 dollar per aandeel.”

Doyle kreeg gelijk, want inmiddels is de sector hersteld van de krach van 2009. Bestaande voorraden kunstmest in de wereld zijn grotendeels opgebruikt, terwijl agrariërs nu juist meer willen hebben om te profiteren van hoge prijzen voor landbouwproducten als mais, sojabonen en tarwe. Die brengen nu 40 tot 70 procent meer op dan een jaar geleden, dus het loont om zoveel mogelijk te verbouwen. De vraag naar kalimineralen stijgt daarom weer: vorig jaar werd met 52 miljoen ton het niveau van 2008 bereikt; dit jaar wordt een wereldwijde behoefte voorspeld van 55 tot 60 miljoen ton. De prijzen zijn aangetrokken tot 430 à 450 dollar per ton.

Potash vaart er wel bij. Het bedrijf, dat vorig jaar 8,6 miljoen ton produceerde, behaalde in 2010 een winst van 1,8 miljard dollar bij een omzet van 6,5 miljard – een fors herstel van het daljaar 2009 (winst 981 miljoen op een omzet van 4,0 miljard).

De verwachte recordvraag naar kunstmest brengt Potash tot nog betere voorspellingen voor dit jaar. Het aandeel klom al in januari, nog geen twee maanden na de mislukte overname door BHP, tot 170 dollar (sindsdien is het in drieën gesplitst; de huidige koers is bijna 57 dollar op de beurs in Toronto).

Gouden tijden voor kali, kortom – maar kan een nieuwe zeepbel in de sector worden voorkomen nu prijzen van agrarische producten opnieuw de pan uitrijzen? Een extreme piek zoals in 2008 „kan zich makkelijk opnieuw voordoen”, meent Murray Fulton, agrarisch econoom aan de Universiteit van Saskatchewan. „De vraag is of men in staat zal zijn om de verleiding te weerstaan om prijzen op te drijven en elke dollar uit de markt te persen.”

Volgens Doyle heeft de kalisector echter „een les geleerd”, zei hij bij de presentatie van de jaarcijfers. „We mogen nooit meer in een positie komen waarin de boer geen geld kan verdienen aan zijn gewas. Zodra dat gebeurt, haal je de hele tent neer.” Hij beloofde betere prijsbeheersing.

De prijsvorming van kalimineralen wordt niet uitsluitend overgelaten aan de vrije markt, maar heeft ook te maken met de structuur van de sector in de twee belangrijkste landen, Canada en Rusland. Canadese en Russische producenten werken van oudsher met kartels om vraag en productie op elkaar af te stemmen, en prijzen te bepalen.

Zo brengen de drie Canadese producenten kalium uit Saskatchewan op de wereldmarkt via Canpotex, een gezamenlijke dochteronderneming die beschikt over logistieke middelen als duizenden wagons, overslagfaciliteiten, en vertegenwoordigers in de afzetlanden. Canpotex onderhandelt over prijzen met afnemers, en plaatst vervolgens orders.

Ook de grote Russische producent Uralkali en Wit-Russische Belaruskali werken samen in zo’n kartel, onder de naam Belarusian Potash Corp (BPC). Uralkali fuseert bovendien dit jaar met zijn binnenlandse concurrent Silvinit om de nieuwe marktleider te vormen. De twee producenten leverden samen vorig jaar 10,3 miljoen ton. Dit kalikartel zal na de samenvoeging 45 procent van de wereldwijde handel in potash beheersen; Canpotex levert 40 procent (andere producenten zijn het Duitse K+S, en Israel Chemicals).

De kartels zijn gevormd in de decennialange periode dat het aanbod van kalimineralen de vraag altijd overtrof. Door prijsafspraken te maken kon worden voorkomen dat bedrijven elkaar uit de markt zouden drijven met verkoopprijzen onder het niveau van de productiekosten.

Nu de situatie is omgedraaid, vragen sommigen zich af of kartelafspraken nog wel gepast zijn, vooral gezien het belang van het product voor de voedselvoorziening. „Canpotex is gevormd om prijzen hoog genoeg te houden”, zegt Fulton. „Het valt te bezien of ze ook het omgekeerde kunnen: drastische prijsstijgingen afzwakken.”

Marius Kloppers, de bestuursvoorzitter van BHP Billiton, vond de kartelaanpak in de kalisector achterhaald. Hij wilde Potash losmaken uit Canpotex en de productie de vrije loop laten, een aanpak die BHP bij andere grondstoffen heeft toegepast.

Kloppers krijgt wellicht alsnog een kans, want inmiddels is bekend geworden dat Mosaic, de tweede kaliumproducent van Canada die vorig jaar verantwoordelijk was voor 7,2 miljoen ton, wordt verkocht door zijn eigenaar, het Amerikaanse landbouwconglomeraat Cargill. Ook overweegt BHP een nieuwe kalimijn te bouwen in Saskatchewan.

Johnson van Potash wijst er echter op dat de structuur van de sector geen toeval is. De verantwoordelijkheid van het bedrijf voor de voedselvoorziening kan niet los worden gezien van de noodzaak geld te verdienen aan de kaliwinning.

„De productie van kunstmest is kapitaalintensief, en moet geld opbrengen om de nodige investeringen te kunnen doen”, zegt Johnson. Potash zet dit jaar 2 miljard dollar opzij voor herinvestering. Het bedrijf breidt zijn productiecapaciteit uit van 11,3 miljoen ton per jaar nu tot ruim 17 miljoen ton in 2015.

Diep in de mijn gaan de brokken gesteente die door de boormachine zijn losgemaakt via een gierende lopende band naar de schacht, twaalf kilometer terug. Daar wordt het erts naar de oppervlakte gehesen voor verwerking – een stinkend chemisch proces waarbij kaliumchloride wordt gescheiden van keukenzout (natriumchloride) uit de bodem. Het eindproduct is puur potash, in bergen schone korrels. Lange goederentreinen staan klaar om het af te voeren naar de wereldmarkt.

Het is nauwelijks aan te slepen, zegt manager Larry Long, te midden van bouwwerkzaamheden die de capaciteit uitbreiden. „Over de hele wereld wordt ons product in toenemende mate gebruikt, en al onze mijnen moeten uitbreiden om te voldoen aan de toenemende vraag. Het zijn opwindende tijden in potash.”