Opinie

Journalisten in riskante gebieden moeten altijd een uitweg hebben

De ombudsman

Het ticket was al betaald, het hotel gereserveerd – dus vooruit maar.

Schouten onderhield vanuit Japan dagelijks contact met de redactie

Filmredacteur Coen van Zwol vloog eind februari op verzoek van de hoofdredactie naar het Golfstaatje Bahrein, om daar verslag te doen van de aanzwellende protesten tegen het regime. Maar hij vroeg zich af of het wel de juiste bestemming was op het juiste moment, en de hoofdredactie gaf hem bij nader inzien gelijk.

Maar toen was alles al geregeld. Van Zwol, een verslaggever met ruime ervaring in conflictgebieden, vertrok dus toch maar. Hij bleef een week, en schreef ter plekke een paar prima stukken – en zijn reguliere bijdragen voor de filmpagina. Toen hij weer was vertrokken, escaleerde de zaak. Saoedi-Arabië stuurde troepen naar het land. Op de telefoon van Van Zwol, inmiddels weer duizenden kilometers weg, kwamen de wanhopige sms’jes van zijn contactpersonen binnen.

Soms heb je geluk, soms pech – en soms iets ertussenin.

Ik kan er (een beetje) over meepraten, sinds ik, in 1994, als verslaggever op stel en sprong moest afreizen naar Suriname, waar de Afobaka-stuwdam was bezet door een onduidelijk groepje ‘rebellen’. Een gesprek met een werknemer van de stuwdam die toevallig de telefoon opnam („Bent u gijzelaar, of een van de gijzelnemers?”) had me weinig fiducie gegeven in het verhaal. Een etmaal later, in de aankomsthal van Zanderij, vertelde een douaneman dat het zaakje „al was opgelost”. Weg bandieten, weg verhaal.

Zo gaat het soms, met verslaggeving uit crisisgebieden. En dan is Suriname (helaas: alweer) natuurlijk klein bier vergeleken bij de revoltes die de Arabische wereld op de grondvesten doen schudden.

De krant moet dan kiezen: wanneer gaan we ergens heen, en vooral: wie gaat er? Als er geen correspondent gestationeerd is – en in de Arabische wereld is dat alleen Gert van Langendonck – dan moet er worden geïmproviseerd. Dat stelt hoge eisen aan gevoel voor timing en aan verantwoordelijkheidsbesef.

Elske Schouten, correspondent in Jakarta, vloog naar Japan (waar de krant al enkele jaren geen correspondent heeft) om verslag te doen van de aardbeving en de dreigende nucleaire catastrofe. Ze hield een ‘notitieblok’ bij, waarin ze de lezer liet delen in haar ervaringen van dag tot dag. Dat gaf gedetailleerd inzicht in de praktische problemen die ze tegenkwam en in de keuzes die ze moest maken. Nuttig, want soms besef je te weinig welke obstakels een correspondent moet overwinnen om een stuk te kunnen maken en in de krant te krijgen.

Zij bleef in Japan, ook nadat de Nederlandse televisie al mensen had teruggetrokken. En in haar notitieblok lazen we, hoe ze door een samenloop van omstandigheden met een Canadese collega toch nog dichter bij het gebied in Fukushima kwam dan de bedoeling was. Een dag later was ze op weg naar huis. Sommige lezers vragen zich af, hoe een correspondent onder die omstandigheden werkt. Was dat allemaal aan haar om te beslissen?

Nee. De krant heeft procedures voor verslaggeving in risicogebieden. Allereerst: wat is de inschatting van de correspondent ter plaatse of, als die er niet is, van redacteuren die het gebied kennen? De chef Buitenland vraagt naar contacten, veiligheid en mogelijke exitroutes. Hij zegt: „Wat wij in Japan belangrijk vonden, was dat snel weggaan steeds mogelijk moest blijven – ook uit voorzorg. We spraken telkens over de best mogelijke wegen en middelen om dat te doen.”

De chef of hoofdredactie kan ook een eigen afweging maken, maar uitgangspunt daarbij blijft dat redacteuren niet naar een risicogebied moeten worden gestuurd als dat onverantwoord is, en nooit tegen hun wil. Integendeel, zegt de hoofdredacteur, soms moeten ze tegen zichzelf beschermd worden. Maar, dat wil hij dan ook onderstrepen, garanties bestaan niet. Helemaal zonder risico’s is journalistiek werk in dergelijke gebieden nooit.

Schouten onderhield dagelijks contact met de redactie in Rotterdam, stemde haar plannen af, kreeg te horen hoe wetenschapsredacteur Karel Knip de situatie inschatte, en ontving daarnaast natuurlijk sms-berichten van het thuisfront. Bijkomend voordeel was dat Schouten, opgeleid als moleculair biologe, geen leek is op nucleair gebied.

Zelf zegt ze nu: „Ik overlegde elke dag met de chef Buitenland over de veiligheid, dat was erg prettig.” Maar, relativeert ze, de praktische hulp die de redactie kan geven is beperkt, „omdat ze nu eenmaal op afstand zitten”. In elk geval voelde zij zich „totaal niet gepusht om meer risico te nemen dan ik wilde”.

Zo hoort het ook.

Verslaggevers die worden gevraagd naar riskante gebieden te reizen moet ook altijd de gelegenheid worden geboden ervan af te zien – zonder dat dit leidt tot opgetrokken wenkbrauwen of erger.

Het werk is al gevaarlijk genoeg.

Nu het toch om crisisgebieden gaat: onder mijn vorige rubriek, in het antwoord aan een lezer over correcte militaire termen, is een hinderlijke Schlimmbesserung geslopen. De tekst over de term ‘marinier’ is correct, maar het kopje (Een marinier is geen marineman) zet de lezer dan toch weer op het verkeerde been. Voor alle duidelijkheid: het Korps Mariniers is een speciaal onderdeel van de Koninklijke Marine. Mariniers zijn dus ‘marinemensen’, in die zin, maar omgekeerd zijn marinemensen nog geen marinier.