Johan Cruijff en de geschiedvervalsing

Johan Cruijff was niet zo’n visionaire of succesvolle trainer als de legende wil.

Zijn bijna maffiose bemoeienis met Ajax deze week, voorspelt weinig goeds.

Vijf mannen in een parkeergarage. Aan de randen van de foto, die gisteren in onder meer het Algemeen Dagblad en de Telegraaf verscheen, zie je twee gesticulerende donkere mannen. Ze zien er uit als beveiligers. Iets meer naar het midden twee jongere mannen, een donkere en een blonde. Ze ogen ietsje gespannen.

Niets daarvan bij de wat oudere man die zij flankeren; de handen in de broekzakken, nonchalant leren jasje, de kin lichtjes geheven en de blik van de man die alles al gezien heeft, alles achter zich heeft en toch voortleeft, om met Slauerhoff te spreken. Het geheel ademt de sfeer van Goodfellas, de film van Martin Scorcese over een jongeman (gespeeld door Ray Liotta) die graag bij de maffia wil en onder de hoede komt van oude rot Robert De Niro. De Niro loopt in Goodfellas precies zoals de man in het midden op de foto. Ziehier de entree van Johan Cruijff, op weg om de Ajax-Arena boven hem op de grondvesten te doen trillen.

Tot gisteren was er in Nederland maar één verhaal over Cruijff. Het is een mythologisch verhaal, boordevol heldhaftigheid en visionaire kracht. In dat verhaal is Cruijff niet alleen de beste voetballer die de wereld ooit gezien heeft, hij is ook De Verlosser; eerst van Ajax, toen van Barcelona, later weer van Ajax, zelfs een jaar van Feyenoord, vervolgens van het gehele Nederlandse voetbal en uiteindelijk van het mooiste dat de wereld ooit aanschouwd heeft: de tiktakmachine van het hedendaagse Barcelona.

De nevenactiviteiten mogen er ook zijn: vernieuwer van zowel de Nederlandse („elk nadeel heb z’n voordeel”) als de Spaanse taal („en un momento dado”) en icoon van schrijvers, milieuministers en mediamagnaten.

In de loop der jaren raakte dat andere verhaal, over de schaduwzijdes van onberekenbaarheid, gelijkhebberigheid en egocentrisme, steeds verder buiten beeld. De mensen die zich nog konden herinneren dat Cruijff eind jaren zestig het Nederlands elftal in de steek liet, stierven langzaam uit.

Merkwaardiger is de teloorgang van andere verhalen. Zo hoor je niemand over het vertrek van Willie van der Kuylen – die als middenvelder van PSV meer doelpunten maakte dan Cruijff als spits van Ajax – en Jan van Beveren – toen de beste keeper van de wereld – aan de vooravond van het WK 1974. Ze pasten niet in de visie van Cruijff.

Niemand die zich afvraagt of Nederland met die twee spelers in de selectie niet met twee vingers in de neus wereldkampioen was geworden.

Ook een verhaal dat ons niet past: Cruijff werd in zijn eerste jaar kampioen met Barcelona. De 0-5 bij Real Madrid blijft onvergetelijk. Maar daar stopt onze geschiedschrijving. In de vier daaropvolgende seizoenen met Cruijff werd Barcelona nooit meer kampioen. In Madrid en Duitsland kan men de andere geschiedenis vertellen: Gunter Netzer, de grote ster van Real, was in het eerste Cruijff-jaar geblesseerd.

Een vrijwel identiek verhaal doet de ronde over Cruijff’s ene seizoen bij Feyenoord; dat is natuurlijk vermakelijk: één jaar in Rotterdam en meteen kampioen. Weinigen die zich afvragen of Feyenoord, met Gullit, Nielsen, Jeliazkov, Houtman en Valke dat jaar niet sowieso kampioen was geworden. Feyenoord bleef een jaar later met een enorm gat zitten: Cruijff duldde alleen een stroman als trainer en de echte expertise verkaste naar PSV, dat vervolgens Feyenoord leegkocht, en tussen 1986 en 1990 steevast kampioen werd en zelfs de Europa Cup won.

Of neem de herinnering aan het trainersschap bij Ajax: vaak wordt gememoreerd dat Cruijff van Basten ontdekte, niemand herinnert zich dat hij Frank Rijkaard wegstuurde en in diens plaats Jan Sorensen van Feyenoord kocht. Toen Cruijff aantrad was Ajax kampioen, in de drie jaar dat zijn trainersschap duurde werd PSV kampioen, met een steeds grotere voorsprong, oplopend tot een totaal van 9 punten en een verschil van 60 doelpunten in 1988.

En dan Barcelona: Cruijff wordt trainer en wint de Europa Cup met het dreamteam rond Romario, Stoichkov en Laudrup. Twee jaar later staat hij weer in de finale, nu tegen AC Milan. Vooraf voorspelt Cruijff een voetballes voor het ouderwetse, statische Milan. De eindstand is 4-0 voor een formidabel Milan.

Inmiddels werd Cruijff veel groter dan Cruijff alleen. ‘Cruijff’ is een merk, een symbool, dat verwijst naar visie en schoonheid. Dat is grotendeels bewerkstelligd door de ‘vijfde colonne’ van de media, waar men graag mooie verhalen vertelt.

Zo breidde de macht van het Orakel zich moeiteloos verder en verder uit. Zelfs succescoach Guus Hiddink zwichtte in 1996 voor de eis van de media dat het Nederlands Elftal het Cruijffiaanse 4-3-3 systeem moest spelen met Jordi Cruijff (de zoon van) op de rechterflank. De gevolgen waren catastrofaal. „Van Cruijff kun je nooit winnen, ook niet als hij ongelijk heeft” vatte Aad de Mos deze week samen.

Nu blijkt dat je ook niet van hem kan winnen omdat hij of zijn zaakwaarnemer niet schroom te verwijzen naar de sanctie op het hebben van een andere mening: je wordt kapotgeschreven. In alle aandacht die de Telegraaf gister schonk aan de zaak worden de zwaarste aantijgingen tegen Cruijff alvast verzwegen.

In Goodfellas maakt de nestor Robert De Niro zo veel slachtoffers dat Ray Liotta besluit zichzelf uit te leveren aan een beschermingsprogramma voor getuigen.

Zou het kunnen dat het lichte ongemak van Jonk en Bergkamp op de foto iets verraadt van een vermoeden dat mythes kunnen worden doorgeprikt?

Jos de Putter is Feyenoord-fan sinds zijn negende, documentairemaker en hoofdredacteur van het VPRO-programma ‘Tegenlicht’ (waar driekwart van de redactie uit Ajacieden bestaat).