Investeren in Bangladesh loont meer

Investeren helpt landen beter in hun ontwikkeling dan domweg schenken. „Het begint met bedrijvigheid”, stelt voorzitter Kleiterp van de financieringsmaatschappij FMO.

Bangladesh of Boston? FMO-directeur Nanno Kleiterp is stellig. „Bangladesh! Bankieren in ontwikkelingslanden loont, zowel voor lokale als voor internationale bedrijven.”

De Financierings Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) – die bankiert in Afrika, Azië en Latijns Amerika – boekte vorig jaar een winst van 126 miljoen euro, een stijging van 110 procent ten opzichte van 2009. „De winst overtrof onze verwachtingen”, zegt directeur Kleiterp.

De FMO hoefde in 2010 ook veel minder af te schrijven op de portefeuille doordat de cliënten in ontwikkelingslanden beter presteerden dan verwacht. „Veel bedrijven daar zijn solide en hebben minder last van de internationale crisis”, zegt Kleiterp. „Ik zie dat veel van deze bedrijven meer veerkracht hebben dan die in de westerse wereld.”

De ontwikkelingsbank investeerde vorig jaar ruim één miljard euro in de Derde Wereld, waarvan bijna de helft in de allerarmste landen. Dat is ongeveer het equivalent van 25 procent van het ontwikkelingsbudget. De totale investeringsportefeuille steeg met 0,7 miljard euro tot 5,3 miljard euro.

Ontwikkelingsbanken als FMO hebben baat bij de verschuivingen in de wereldeconomie. De economische groei in ontwikkelingslanden bedraagt, volgens het IMF, dit jaar 6,5 procent. Voor de geïndustrialiseerde wereld voorspelt het IMF een groei van 2,5 procent. „Wij bankieren in de landen met hoge groei”, zegt Kleiterp. En hij verwacht dat dit „meer dan één miljard euro aan nieuwe investeringen” oplevert.

Door de financiële crisis wordt, zo signaleert Kleiterp, anders naar het Westen gekeken. „De westerse waarden en normen zijn niet meer superieur. De relatie tussen het Westen en Zuiden wordt daardoor steeds gelijkwaardiger.” Het is daarom van belang om ook anders naar ontwikkelingssamenwerking te kijken en het beleid in een breder kader te passen. Kleiterp: „Die ontwikkeling is al een tijdje aan de gang, maar kan nu in een stroomversnelling komen”. Klimaatverandering en duurzaamheid worden daarbij steeds belangrijker. „We gaan van 6 naar 9 miljard mensen in 2050 en door minder armoede zal de consumptie ook verder toenemen: de wijze van consumptie en de productie moeten dus veranderen. Dat zal centraal moeten staan in hoe wij de ontwikkelingssamenwerkingrelatie aangaan”, aldus Kleiterp.

Ook FMO heeft de gevolgen van de crisis gemerkt. Door de kredietcrisis zijn voor banken de rentekosten omhoog gegaan, en dit geldt ook voor FMO, ondanks haar AAA-status. „Risico-opslagen zijn omhooggegaan, maar de rente is gedaald, waardoor per saldo de crisis op operationeel niveau geen grote invloed heeft gehad op FMO, en dus ook niet op onze klanten”, aldus Kleiterp.

Bij de investeringen kijkt de FMO naar criteria zoals duurzaamheid, mensenrechten, goed bestuur. „De bedrijven waarin wij investeren, vervullen vaak in de ontwikkelingslanden een voortrekkers- en voorbeeldfunctie.”

Kleiterp studeerde in de jaren zeventig sociologische economie aan de Universiteit Groningen. Participatie van het bedrijfsleven aan ontwikkelingshulp was toen een heikel thema. Van schenkingen is het ontwikkelingsbeleid in de loop der tijd omgebogen naar investeringen. Kleiterp is ervan overtuigd dat een evenwichtige economische ontwikkeling begint bij het commerciële bedrijfsleven. „Er wordt vaak beweerd dat winst geen ontwikkelingsimpact heeft, maar bij de evaluatie van de FMO-resultaten vinden we altijd een duidelijk verband tussen financieel succes en de ontwikkelingsimpact”, legt hij uit. Het bedrijf zorgt voor werkgelegenheid, mensen krijgen inkomen, betalen belasting, vragen iets voor die belasting terug en de overheid levert diensten. Dat zorgt voor politieke stabiliteit en maakt landen aantrekkelijker om te investeren. „Dus de hele cyclus begint met economische bedrijvigheid. Overheden moeten voor goede randvoorwaarden zorgen.”

Kleiterp ziet een belangrijke rol voor de FMO weggelegd. De bank wil meer privékapitaal en geld van institutionele beleggers mobiliseren voor projecten in ontwikkelingslanden. Veel private investeerders schrikken nog altijd terug voor de risico’s op lange termijn in ontwikkelingslanden. „Commerciële banken richten zich vaak op de korte termijn, wij op de lange termijn. Ook als je kijkt naar onze rendementscijfers is dat geen slechte keuze.”

De grootste risico’s voor FMO liggen volgens Kleiterp in de ontwikkeling van de Chinese economie en de voedselprijzen. „China fungeert op dit moment als katalysator in de internationale economie. Die machine moet niet vastlopen.” Ook een groot risico vindt Kleiterp de ontwikkeling van de voedselprijzen. „Als je 90 procent van je inkomen aan voedsel besteedt en door schaarste stijgt de voedselprijs met 20 procent, dan word je hard getroffen en heb je als land een groot politiek probleem.” Maar de FMO heeft genoeg vermogen om eventuele klappen op te vangen. „Onze portefeuille aan investeringen is enorm gespreid.”

Kleiterp is sinds vorig jaar voorzitter van de Europese brancheorganisatie EDFI in Brussel. Bij EDFI zijn vijftien instituten aangesloten, die zo meer onderlinge samenwerking willen bewerkstelligen en gezamenlijk hun belangen bij de Europese Unie behartigen. „Er is steeds meer begrip voor de cruciale rol die de private sector vervult bij de groei in ontwikkelingslanden”, zegt hij. „Maar we hebben nog een lange weg te gaan.”