Ik weet zeker dat ik ga huilen als ik mijn moeder op de voorste bank zie zitten

Vanochtend zijn ze getrouwd, in Amsterdam: Jan van Breda en Thijs Timmermans om elf uur, Kim Lammers en Sanne Dufrenne om kwart voor twaalf. Burgemeester Eberhard van der Laan verrichtte de plechtigheid. Hiermee werd gevierd dat vandaag tien jaar

geleden het eerste homohuwelijk ter wereld gesloten werd. „Truttig”, zeggen de mannen. „Maar wel praktisch.” De vrouwen: „Iedereen zegt dat het geaccepteerd is. Was het maar waar.”

Tekst Jannetje Koelewijn Foto’s Roger Cremers

Nederland, Amsterdam, 01-04-2011 Thijs Timmermans (de blozende met de blonde kuif) en Jan van Breda (doorrookte kop) staan klaar op de taxi te wachten bij Thijs thuis. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS
Nederland, Amsterdam, 01-04-2011 Thijs Timmermans (de blozende met de blonde kuif) en Jan van Breda (doorrookte kop) staan klaar op de taxi te wachten bij Thijs thuis. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2011

Zwartleren broek met ketting, sixties sportjack, doorrookt gezicht. Dat is Jan van Breda (52), fotograaf.

Thijs Timmermans (51): blozende wangen, blonde kuif, V-halstrui. Hij werkt bij ING, human resources. In de avonduren zingt hij – klassiek. Volgende week weer de Johannes Passion.

Het is woensdagmiddag half vijf, anderhalve dag voordat ze door burgemeester Eberhard van der Laan van Amsterdam met elkaar in de echt verbonden zullen worden, in het Amsterdam Museum (voorheen het Amsterdams Historisch). Nu zitten ze in een café in de Utrechtsestraat en drinken een biertje. Ze vertellen hoe ze elkaar leerden kennen: door een contactadvertentie, in 1994. Hun eerste ontmoeting was bij Thijs thuis.

Thijs: „Poeh, dacht ik. Daar komt iemand binnen. Dit gaat wat worden. Maar ik dacht ook: moeilijke jongen.”

Jan: „Ik was bijna 36 en in de steek gelaten. Ik voelde me oud en afgeschreven. Toen ik Thijs zag, dacht ik: leuk, fris. Alles wat ik niet ben. Ik heb een zwaar verleden, met drugs enzo.”

Thijs: „Moet dat in de krant?”

Jan: „Kan mij wat schelen.”

Thijs: „Dat onrustige, dat brutale, dat trok mij erg aan. Zelf heb ik de uitstraling van een ideale schoonzoon, maar ik zocht geen man om over Bach en Mozart te praten. Het was meteen heel gepassioneerd tussen ons.”

Jan, aaiend over Thijs’ kuif: „Het is nog steeds gepassioneerd.”

Thijs: „Maar de eerste jaren hebben we veel toestanden gehad. Het heeft lang geduurd voordat ik voelde: hij is er echt voor mij. Ik geloofde het pas toen het woord ‘trouwen’ voor het eerst viel.”

Jan: „Dat was in februari 2009. Ik had het voorin een boek over Artis geschreven waar ik de foto’s voor had gemaakt. Wil je met me trouwen? En toen zei jij: daar moet ik even over nadenken. Ik boos, dat het geen volmondig ja was.”

Thijs: „Mag ik mezelf even verdedigen? In de nichtenscene is trouwen nogal eh… Daar praat je alleen tongue in cheek over. Als we later getrouwd zijn…”

Jan, weer aaiend over Thijs’ kuif: „En je had me al een keer afgewezen.”

Thijs: „O ja?” Hij denkt even na. „De eerste avond. Maar dat kwam doordat ik ook meteen romantische gevoelens voor je had. En jij dacht: beetje friemelen…”

Jan: „En dan meteen de koffer in.”

Thijs, stralend: „Hè, wat plat.”

Jan: „En jij zei…”

Thijs: „… zullen we nog een keer afspreken en kom je dan bij me eten?”

Ze lachen.

Twee weken geleden besloten ze dat ze op 1 april gingen trouwen. Ze waren vorig jaar september al in ondertrouw gegaan, maar vervolgens bleven ze alles voor zich uit schuiven. Toen hoorde Jan van Breda van de ad interim-directeur van het COC (homobelangenvereniging) dat er stellen werden gezocht die zich wilden laten trouwen op de dag dat Amsterdam tien jaar homohuwelijk zou vieren. Er had zich nog niemand gemeld.

Binnen een paar dagen was alles geregeld. Ze hoefden geen „duiven die bij het ja-woord worden vrijgelaten” of „adelaars die de ringen komen brengen” – dat maakte het gemakkelijker.

Jan: „Tien jaar geleden vond ik het heel stom, dat eerste homohuwelijk met Job Cohen. Truttig. Ik vind het nog steeds truttig, maar het is wel praktisch.”

Thijs: „In de zin van erfenissen enzo.”

Jan: „Ik zou niet weten waarom mijn moeder mijn huis zou moeten krijgen als ik morgen onder de tram kom. Dat mens is 83.”

Thijs: „Maar we trekken niet dezelfde gekke leuke kleren aan ofzo. Geen roze corsages. Geen bloemen. Wij haten bloemen.”

Jan: „Ik doe een pak aan en een T-shirt. Een leuk T-shirt.”

Thijs: „Weet je wat ik truttig vind? Homo’s die tegen het huwelijk zijn, maar wel alles bij de notaris hebben geregeld.”

Jan: „Doe het dan voor het echie.”

Thijs: „Nu moeten we nog beslissen hoe we straks gaan heten. Jan en Thijs van Breda? Timmermans? Ik vind Thijs Timmermans van Breda heel mooi. Maar dan zonder streepje ertussen. Mijn baas vroeg: komen er nu ook kinderen?”

Jan: „Ik wil tot mijn laatste ademtocht bij Thijs blijven. Daarom trouw ik met hem.”

Thijs: „Ik verkeer al twee weken in een roes. Weten de tantes uit Limburg hoe ze van het Amsterdam Museum naar café Nel hier om de hoek moeten komen? En de ringen! We hadden nog geen ringen!” Hij pakt een doosje uit zijn jaszak en laat de twee witgouden ringen zien die ze nog snel hebben laten maken. „Jans achterneefje Jimmy van drie komt ze na het ja-woord bij ons brengen.”

Jan: „Ik weet zeker dat ik ga huilen als ik mijn moedertje van 1 meter 30 daar op de voorste bank zie zitten. Dat ze dit nog mag meemaken.”

Thijs: „En ik dan. Als Van der Laan gaat zeggen hoe jammer het is dat mijn ouders er niet zijn.”

Hij begint nu al bijna te huilen. Zijn ouders zijn gestorven.

Jan: „Moeten we nog iets politiek-corrects zeggen over gelijke rechten enzo?”

Thijs: „Misschien dat het volkomen vanzelfsprekend zou moeten zijn?”

Jan: „Maar hand in hand over straat lopen…”

Thijs: „Dat deden we toch al niet.”