Het CDA was altijd al uit op louter machtsbehoud

Het CDA vraagt zich morgen op een partijcongres af waar het staat. Moet de partij terugkeren naar het midden? Dat was niet zo bedoeld, stelt Wim Couwenberg.

Het CDA houdt morgen zijn Voorjaarscongres. Na een turbulente tijd van verkiezingsnederlagen en deelname aan een minderheidsregering kan de partij zichzelf afvragen waar ze staat. Stemmen gaan op om weer de koers op te zoeken van het politieke midden, waar het CDA volgens sommigen ‘thuishoort’.

Is dat wel zo?

Bij de totstandkoming van het CDA is die middenpositie in de politieke ban gedaan, als onverenigbaar met de evangelisch-radicale koers die toen expliciet werd gekozen. De toonaangevende mening was toen dat het CDA zich nooit mag identificeren met het politieke midden, wil het zijn christelijke inspiratie en identiteit niet overboord gooien.

Bij de voorbereiding van het CDA was het vloeken in de christen-democratische kerk om het CDA te vergelijken met de Duitse CDU, laat staan met de Beierse CSU, vanwege hun conservatieve of rechtse oriëntatie.

Door zijn evangelische bewogenheid is het CDA per definitie een voorhoedepartij. Het moet daarom alles in het werk stellen om van het verachtelijke etiket van een middenpartij af te komen, betoogde toenmalig KVP-voorzitter W.J. Vergeer in 1978. CDA-leider R.F.M. Lubbers verklaarde in zijn boek Samen op weg (1991) nog dat hij gruwde van zoiets als een middenpositie.

Hoezeer zo’n middenkoers ook toen nog in het CDA een taboe was, bleek uit de woorden van de belangrijkste CDA-ideoloog in die jaren, A.M. Oostlander. Hij bezwoer dat een authentieke CDA’er het politieke midden nooit mocht omarmen. Voor het CDA gaat het primair om het realiseren van bijbels gefundeerde idealen. Daarmee is het pragmatisme van een middenpositie in Oostlanders ogen volstrekt onverenigbaar. Dat zou immers een voorkeur inhouden voor beginselloze politiek.

Ik herinner in dit verband aan een stellingname van de prominente staatsrechtgeleerde A.M. Donner, in 1981. Op voorhand, stelde hij toen, valt niet te zeggen wat christen-democratische politiek betekent. Dat hangt van de situatie af.

Pas sinds de Fortuyn-revolte in 2002 presenteert het CDA zich als meest stabiele middenpartij. Sinds de kabinetsformatie van 2010 is die stabiliteit niet meer vanzelfsprekend. Dat geldt nu wel voor de eens zo verguisde middenpositie.

Als de gangbare consensus in het CDA hapert en de bestuurderspartij als machtsfactor bedreigt raakt, laait vaak de discussie over de ‘C’ van het CDA even op, met een herhaling van de retoriek over het belang van christelijke beginselen. Die retoriek overtuigt allang niet meer. De ambities van het CDA als bestuurderspartij staan nu eenmaal haaks op die ‘C’.

Een voormalige CDA-minister zei eens badinerend: ach, die ‘C’ staat gewoon voor pragmatisme, verpakt in bijbelteksten – dus, interpreteer ik, voor politiek vlagvertoon om nog de suggestie te wekken van iets eigens, wat niet meer bestaat.

Ook toen het CDA onder de paarse regeringscoalitie in de oppositie zat, werd gediscussieerd over die ‘C’. Het CDA, betoogde de toenmalige CDA-leider J.G. de Hoop Scheffer in 1998, wil de dragende kern worden van een nieuwe politieke hoofdstroming, die zich inzet voor de realisering van sociale en christelijke waarden en zodoende het belangrijkste alternatief kan en wil worden van de heersende neoliberale markteconomie, in plaats van de PvdA, die haar bestaansgrond heeft verloren, door haar bekering tot het pragmatisme. Balkenende haakte daarop instemmend in, om vervolgens, evenals eerder Lubbers deed, een leidende rol te spelen bij de aanpassing van de verzorgingsstaat in neoliberale zin.

Het vorige CDA-congres, van oktober 2010, is terecht geprezen vanwege het open debat dat daar werd gevoerd over de koers van de partij. In de geschiedenis van het CDA was dat evenwel zeer uitzonderlijk. Zoals Trouw-redacteur Hans Goslinga schreef: de missie van Balkenende over christelijke en sociale waarden die opnieuw de nodige aandacht verdienden, verkeerde spoedig in een politiek van louter machtsbehoud, met als vertrouwd kenmerk het smoren van intern debat, het vermijden van lastige kwesties zoals het migratie- en integratievraagstuk en het verdacht maken van elk tegengeluid.

Wim Couwenberg is directeur/hoofdredacteur van het digitale tijdschrift Civis Mundi en oud hoogleraar staats- en bestuursrecht.