Gert & Uwe Tobias over de nachtzijde van het leven

Gert & Uwe Tobias. T/m 13 juni. GEM, Stadhouderslaan 42, Den Haag. Di t/m zo 12-18u. Cat. € 24,50. **

Soms lijken kunstcarrières op snelkookpannen. Neem de carrière van de Roemeense, in Keulen wonende tweelingbroers Gert en Uwe Tobias (1973). De twee zijn sinds een kleine tentoonstelling in het Museum of Modern Art in New York drieënhalf jaar geleden booming. Saatchi heeft werk in zijn collectie, andere verzamelaars volgden. De broers worden geëxposeerd in grote galeries, zoals Contemporary Fine Arts in Berlijn, die supersterren als Peter Doig, Daniel Richter en de broers Chapman vertegenwoordigt. Deze galerie wil ook van de broertjes Tobias grootheden maken en daarom vult deze de komende maanden de bovenverdieping van het GEM met joekels van vrolijk gekleurde houtsneden, met collages en beeldjes van Gert en Uwe. Op een enkel werk uit een andere galerie na komt alles van Contemporary Fine Arts, een leuke deal voor het GEM, dat geen tijd hoeft te besteden aan het lospeuteren van bruiklenen.

De vraag is natuurlijk of het werk van de tweeling al die commotie rechtvaardigt. In het GEM wordt duidelijk dat hun werk zelf ook wel wat wegheeft van koken. Dat begint al bij de entree, waar een twintigtal surrealistische collages hangen. Deze collages roepen het verdroomde werk van de twintigste-eeuwse surrealist Man Ray in gedachten. Tobias’ collages zijn net zo elegant in hun combinaties van konijnenpoot, potscherf, tafelbel of boomtak als die van Man Ray, maar minder verrassend en veel minder scherp. De tweeling staat dan ook vooral bekend om houtsneden van soms ruim twee bij drie meter. Ze beginnen als tekeningen en worden op de computer tot collages omgewerkt en uiteindelijk door een zaagmachine uit hout gesneden en bedrukt.

Die kolossale houtsneden vullen de daarna volgende zalen en zijn een waar receptenboek voor de kunstgeschiedenis. Allereerst is er het folklorisme, dat kleurig is als een Roemeense borduurlap. Dan zijn er de afbeeldingen, of liever gezegd, de beeldelementen waarmee de broers steeds opnieuw hun panelen vullen, in steeds andere combinaties. De monsterlijke tronies van Jeroen Bosch paraderen voorbij. Er hangen knallend gekleurde, dode vogels en koeienkoppen aan haken aan onzichtbare plafonds – net als op de doeken van de Nederlandse, zeventiende-eeuwse stillevenschilders. Dansende figuren en arabesken in de stijl van Joan Miró verwennen het oog. En ook is er soms rust in de vorm van rasters die aan de abstracte werken van Gerhard Richter doen denken.

Het is vooral veel kakelbont tegen een donkere achtergrond. Figuratie domineert en binnen die figuratie speelt de dood een grote rol. Er zijn dode dieren, skeletachtige wezens, er zijn schedels en eendagsvlinders – allemaal even frivool gekleurd. De gebroeders Tobias willen graag dat hun werk over grote, ‘zware’ dingen gaat, de nachtzijde van het leven, de vergankelijkheid van het bestaan. Maar overtuigen doen ze niet. Met hun hang naar erkenning, hun behoefte aan succes hebben de twee zich in een lastige spagaat gemanoeuvreerd. Hun werk is mooi en een tikje stout voor aan de muur. Maar grenzen worden er niet mee overschreden, de goede smaak wordt nergens aangetast. Nee, wat Gert en Uwe presenteren is een slap aftreksel van een gerecht dat vroeger en nu, op andere plaatsen, veel sterker is opgediend.