Geen helikopter voor Zahra Bahrami

Terwijl een ingenieur tegen elke prijs moest worden gered, was voor een ter dood veroordeelde buikdanseres met twee paspoorten zelfs één telefoontje te veel, betoogt Herman Vuijsje.

De opschudding over de mislukte helikopteractie in Libië heeft de vorige Nederlandse blunder in het buitenland al bijna naar de achtergrond verdreven. Toch is het nog maar twee maanden geleden dat de Iraans-Nederlandse Zahra Bahrami werd opgehangen in Teheran, na een schijnproces. Minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) gaf toe dat hij niet alles in het werk had gesteld om haar het leven te redden. Daarvan had hij slecht geslapen. Hij zag geen reden tot aftreden. Ook de Kamer maakte hiervan geen halszaak, voor de minister welteverstaan. Het was een foutje – nou ja, niet meer doen.

Deze laconieke afhandeling komt in een nog schriller daglicht te staan na het Kamerdebat over de helikopterkwestie. Een belangrijke verdedigingslinie van de regering was daarbij immers dat Nederland nu eenmaal heel ver gaat als landgenoten moeten worden gered die in levensgevaar verkeren in een dictatuur. Dit was de enige keer in het debat dat premier Rutte echt scherp was: „Het feit dat wij mensen met een Nederlands paspoort die in de problemen zitten, weghalen, is pacta servanda. Dat is hoe wij het doen. Dat is beschaving.” Vooral daarom weigerde hij toe te geven dat de regering verkeerd had gehandeld door te besluiten tot de missie.

Later erkende het kabinet dat de betrokken ingenieur niet in levensgevaar had verkeerd. Des te opmerkelijker is het dat Ruttes nobele credo een paar maanden eerder klaarblijkelijk niet gold voor Bahrami, wier leven juist wel in gevaar was. Een gerede kans bestaat dat Rosenthal haar van de galg had kunnen redden door een persoonlijk gesprek met zijn toenmalige Iraanse ambtgenoot, Mottaki, die in december een bezoek zou brengen aan de OPCW, de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens in Den Haag. Mottaki kwam niet. De kans werd niet gegrepen.

Achteraf gaf Rosenthal opening van zaken. Tegen Iran gelden internationale sancties. Daarom kon Mottaki’s toestel niet in Nederland worden bijgetankt voor de terugweg naar Teheran. Tot het uiterste formeel, ambtelijk en gehoorzaam aan Washington weigerde Rosenthal zelf verantwoordelijkheid te nemen en ruimte te scheppen. Zijn Iraanse ambtgenoot moest maar op een lijnvlucht stappen, liet hij onze ambassadeur in Teheran doorgeven. Daarvoor voelde Mottaki niet.

Ook verder heeft Rosenthal niets ondernomen. Zo is hij nooit op het idee gekomen om de telefoon te grijpen en zijn Iraanse collega te bellen. In het geval van mevrouw Bahrami handelde de Nederlandse regering dus onverantwoord, doordat ze te weinig deed.

Ook in het geval van ingenieur Paul op het strand van Sirte ging de regering onverantwoord te werk – maar dit keer deed ze juist te véél. Het nonchalant genomen besluit tot de reddingsactie had, als kolonel Gaddafi minder coulant was geweest en de helikoptercrew had gegijzeld, de hele internationale hulpoperatie in gevaar kunnen brengen.

Zo werd de ene landgenoot, wier leven op het spel stond, in de steek gelaten en moest de andere worden geëvacueerd, terwijl hij dat zelf niet eens nodig vond. In Sirte was Nederland de padvinder die een goede daad wilde verrichten door een tegenstribbelend oud vrouwtje te helpen naar de overkant, waar ze helemaal niet moest zijn.

In beide gevallen heeft de regering, schoorvoetend en na zware politieke druk, fouten toegegeven. In beide gevallen kwam ze ermee weg.

Daarmee zijn twee knellende vragen nog niet beantwoord. Waarom heeft de regering zo tegenstrijdig gehandeld ten opzichte van deze twee landgenoten? Waarom zó, en niet andersom?

Misschien is het voortschrijdend inzicht, dat een beetje is doorgeslagen. Waarschijnlijk speelde het verlangen naar die goede daad een rol – hopman Rutte hoopte deze te verzilveren bij de naderende verkiezingen.

Nog een derde factor kan in het spel zijn geweest. Het is een bange en zelden hardop uitgesproken vraag: als in Sirte een buikdanseres met dubbele nationaliteit had moeten worden gered en in Teheran een blonde ingenieur die havens ontwikkelt voor een Hollands bedrijf – was het dan ook zo gegaan?

Herman Vuijsje is socioloog en publicist.