Born losers

Bij De Slegte stuitte ik onlangs op een stapeltje Engelse exemplaren van de roman The Hustler uit 1959 van Walter Tevis. De titel kende ik, maar van de schrijver, een Amerikaan, had ik nog nooit gehoord. The Hustler is een bekende speelfilm, in 1961 gemaakt door Robert Rossen, waarin Paul Newman een professionele biljarter speelt.

Dat Rossen zijn film gebaseerd had op een roman, was niet eerder tot mij doorgedrongen. Ik bladerde het boek door en werd getroffen door de trefzekere beschrijvingen en rake dialogen. Die Tevis kon schrijven! Ik kocht het boek en las het zo snel mogelijk uit.

De film had ik destijds goed gevonden, maar het verhaal was ik inmiddels vergeten. De anti-held van het boek is Eddie Felson (‘Fast Eddy’), een briljante jonge biljarter die in kroegen zijn geld verdient als ‘hustler’, misschien nog het best te vertalen als ‘ritselaar’: een kleine zwendelaar die minder begaafde spelers geld aftroggelt door eerst te doen alsof hij het spel niet goed machtig is en vervolgens zijn slag te slaan als er steeds hogere bedragen worden ingezet. Tevis moet dit bedenkelijke milieu goed verkend hebben.

Felson daagt in Chicago de beste hustler van Amerika uit, Minnesota Fats, een oudere, tot dan toe onverslaanbare speler. Het wordt een twee dagen durend onvergetelijk duel dat Felson lijkt te winnen, totdat hij verslapt en ten slotte instort.

Zó beschrijft Tevis Eddies wrede ontwaken de volgende dag: ‘He awoke with perspiration sticky on his face and with the taste of acid and vomit in his mouth, awoke from a long dream of a bright light and a thousand spinning colored balls, awoke but kept his mind, for minutes, at the edge of the remembrance of what had happened before he had come back to the hotel and had fallen into bed.’

Felson was ontegenzeggelijk de meest getalenteerde geweest, maar toch verloor hij. Hoe kon dat? Zijn sommige mensen geboren om te verliezen? Dat is het kernthema van The Hustler. Je zou de biljartzalen waarin het zich afspeelt, kunnen zien als een metafoor voor de Amerikaanse samenleving, een slagveld waarop de sterksten en sluwsten winnen.

Felson hoort niet tot die categorie, zegt zijn manager tegen hem. Hij heeft niet toevallig verloren. Felson zoekt excuses voor zijn nederlaag: hij had tijdens de partij te veel gedronken. Zijn manager wil er niets van weten: „Zo hoef je achteraf alleen maar te leren om medelijden met jezelf te hebben – een heleboel mensen doen niets liever. Het is een van de beste indoorsporten, zelfmedelijden. Een sport waar we allemaal graag aan meedoen. Vooral de born losers.”

Volgens de manager won Minnesota Fats op karakter. „Hij heeft meer karakter in één vinger dan jij in dat hele verdomde magere lichaam van je.’’

Om het ongelijk van zijn manager aan te tonen, zal Felson zich moeten revancheren. Het lukt hem, hij verslaat Minnesota Fats, maar de prijs is hoog. Zijn manager eist een groot aandeel in de winst en Felson beseft dat hij in een smerig wereldje zit, waarin hij uiteindelijk altijd de verliezer zal zijn.

Toen ik het boek uit had, ging ik opnieuw de film zien. Die viel erg tegen: traag, saai, gedateerd. De literatuur won! Walter Tevis, inmiddels dood, is een onbekende schrijver gebleven – ten onrechte. Ik ga nu zijn The Color of Money lezen, een vervolg op The Hustler, en ook als film bekender geworden dan als boek.

Sommige schrijvers zijn ook born losers.