Wij wensen democratie

In de Arabische wereld ontbreekt bijna elke ervaring met democratie.

Welke randvoorwaarden zijn er voor democratie? En welke landen voldoen daaraan?

Verjaag de dictator. Open een kiesregister. Benoem een commissie. Prik een datum. Organiseer verkiezingen. Et voilà . Democratie. Waarna het volk in Tunesië, Egypte en Libië nog lang en gelukkig leeft.

Helaas. Zo simpel is het niet. In de Arabische wereld ontbreekt bijna elke ervaring met democratie. In Iran mondde de opstand tegen de sjah in 1979 uit in een theocratische republiek. Alleen Turkije heeft na talloze militaire staatsgrepen steeds weer langzaam de weg naar democratie gevonden.

Dat heeft niet louter te maken met dit gebied. Want hoe vaak is het niet elders gebeurd dat een land, waar een autocratische heerser of elite onder druk van het volk dat om democratie roept het onderspit had gedolven, uiteindelijk toch weer van de wal in de sloot terecht kwam? Heel vaak.

In Afrika is het sinds de dekolonisatie begin jaren zestig bijna regel dat na een korte periode van euforie en vrijheid het begrip democratie in diskrediet raakte. Het Zuid-Afrika van Nelson Mandela is de bekendste uitzondering op deze regel.

In Azië zijn er meer geslaagde pogingen. India heeft zich daar na 1947 met een miljard inwoners tot de massaalste democratie ter wereld ontpopt.

Latijns-Amerika, zo rijk aan militaire putschisten, biedt na het democratiseringsoffensief van de Amerikaanse president Jimmy Carter (1977-1981) een grotendeels positief beeld.

In het voormalige Oostblok, het geopolitieke imperium van communistisch Rusland, is het resultaat na 1989 ook gevarieerd. In Centraal-Azië mondde de val van Sovjet-Unie uit in nieuwe dictatuur. In Midden- en Oost-Europa zijn afgelopen twee decennia wel bescheiden tot grote successen geboekt.

Als democratie een universeel begrip is, zoals vooral in het liberale Westen wordt verondersteld, waarom dan toch deze verscheidenheid? Omdat democratie ook een historische, sociale en economische, kortom, maatschappelijke basis behoeft.

Bovendien is het begrip democratie zelf ook verder gedifferentieerd. Het type Westminster – het kiesstelsel waarbij het ‘winner takes all’- principe geldt, zoals in Engeland en Amerika – kan geen blauwdruk zijn voor landen waar etnische, religieuze of politieke meerderheden a priori (nog) geen respect hebben voor minderheden. In zulke staten leidt het Angelsaksische model tot een dictatuur van de meerderheid en wrok bij de minderheden.

Democratie kan dus maar beter worden gezien als een kerstboom, die met verschillende institutionele en sociale verworvenheden kan worden opgetuigd.

De belangrijkste verworvenheden van een democratie:

AEen zekere mate van rechtsbescherming en rechtszekerheid van de burgers en hun eigendom ten opzichte van de overheid en elkaar.

BEen vorm van periodiek gekozen vertegenwoordiging van de burgers, die kan optreden als countervailing power jegens de uitvoerende macht.

CEen regering door de meerderheid, die respect heeft voor de elementaire belangen van de minderheden.

DErkenning van een aantal vrijheden waardoor de burgers zich tussen de verkiezingen door kunnen uiten, zoals de vrijheid van vereniging, drukpers en andere mediale meningsuiting en levensbeschouwing of geloofsovertuiging.

In een samenleving, waarin deze punten min of meer zijn verankerd, zijn in de regering rationele overwegingen dominanter dan persoonlijke relaties. En dan is er ook een gerede kans om van regering te wisselen zonder dat daaraan geweld en bloedvergieten te pas moet komen: de beroemde definitie van democratie door de Oostenrijks/Britse filosoof Karl Popper in zijn uit 1945 daterende boek The Open Society and its Enemies.

Goed om te weten. Maar wat dan nog? Democratie kan kennelijk niet per megafoon, pamflet, flyer, sms, tweet of facebook geproclameerd worden. Dus wat heeft een land nodig om tenminste een voedingsbodem te hebben voor een min of meer succesvolle democratisering à la Popper? Om toe te groeien naar een rationele maatschappij en niet te blijven hangen in een relationele samenleving?

Kort gezegd gelden de volgende tien randvoorwaarden voor democratie:

1Historische voorbeelden. Zonder herinnering geen democratie. Dat kunnen herinneringen zijn aan tijden waarin de macht in eigen land niet werd opgeslorpt door één heerser of elite. Maar het kunnen ook voorbeeldfuncties elders zijn, zoals de Atheense democratie, de leuze ‘vrijheid, gelijkheid, broederschap’ van de Franse Revolutie in 1789 of de American Dream in de Verenigde Staten afgelopen eeuw.

2Minimale consensus over het karakter en de raison d’être van de staat als soevereine entiteit. De staat mag dan repressief zijn, die repressieve staat moet ook in zekere mate een abstracte instelling zijn. Als de staat één op één samenvalt met een individu – ‘L’état, c’est moi’, aldus koning Lodewijk XIV – dan wordt de hoogste vorm van corruptie bereikt. In zo’n staat is de strijd om de macht een kwestie van ‘alles of niets’ voor zowel de alleenheerser en zijn clan als de oppositie, en gaat die dus per definitie gepaard met geweld.

3Basaal functionerende overheidsorganen. De overheid moet in staat zijn álle onderdanen – dus niet alleen de leden van de heersende groepen – een elementaire vorm van veiligheid en rechtszekerheid te bieden. Willekeur mag geen vanzelfsprekendheid zijn. Zeker niet in het reguliere leger, het politieapparaat, de rechterlijke macht en bij de belastingdienst. De ervaring leert dat corruptie maatschappelijk overerfbaar is en zo de wortels van de democratie aantast.

4Economische voorspoed of perspectief daarop. Door groei wordt de koek groter en valt er wat te verdelen, zoals materiële welvaart en sociale mobiliteit. „Eenmaal rijk zijn democratieën onsterfelijk”, aldus oud-hoofdredacteur Fareed Zakaria van het Amerikaanse weekblad Newsweek in zijn boek The Future of Freedom uit 2003.

5Geen monolithische maar een basaal gedifferentieerde economie. In een land dat sociaal-economisch afhankelijk is van één natuurlijke hulpbron, zoals grondstoffen, is die ene bron de sleutel tot exclusieve toegang tot alle inkomstenbronnen. In zo’n land zijn macht en geld identiek. Die elite die daar tegenaan schurkt, is dan zo eendimensionaal dat ze niet meer in staat is tot welk compromis dan ook. Het is geen toeval dat er zo weinig olieproducerende landen zijn die een pluriforme democratie kennen. De terugval van Rusland na 2000 is daarvan de recentste illustratie.

6Een zekere mate van inkomensrechtvaardigheid. Als de rijken steeds rijker worden en de armen steeds armer, regeert de rauwe jaloezie en wordt de kans miniem dat een dubbeltje ooit nog een kwartje wordt. Het lompenproletariaat is geen drijvende kracht achter democratisering. Het is, vrij naar de Duitse dichter Bertholt Brecht, zo gefixeerd op het ‘vreten’ dat er geen tijd meer is voor de ‘moraal’. Alleen „een land dat een democratische transitie opstart met inkomens tussen de 3.000 en 6.000 dollar per jaar zal succesvol zijn”, aldus Fareed Zakaria.

7Groeiende middenklasse. Burgers uit de middengroepen verdienen hun geld meestal met hand- én hoofdarbeid in verschillende sectoren van de economie. Ze hebben verschillende belangen, hebben iets te winnen én te verliezen. Middengroepen hechten daarom waarden aan rechtstatelijke zekerheden die beschermen tegen willekeurige onteigening en diefstal. Dat wil niet zeggen dat de middenklasse per definitie democratisch gezind is. In China is de nieuwe burgerij wel een toenemende kracht tegen machtsmisbruik en corruptie maar geen voortrekker van ‘one man one vote’. De middenklasse moet er niet aan denken dat arbeiders en boeren evenveel stem hebben.

8Opleidingsniveau, veelal gepaard gaand met urbanisatie. In een hoger opgeleide en stedelijke maatschappij moet het bestuur zich onvermijdelijk rationeler gaan gedragen, omdat er zich te veel verscheidenheid aan verlangens en belangen per vierkante kilometer hebben verzameld. De Sovjet-Unie bijvoorbeeld was een hoog gekwalificeerde en geürbaniseerde staat. Sinds 1962 woonden er meer mensen in de stad dan op het platteland. Maar door het verstikkende systeem met nomenklatoera en apparatsjiks konden de burgers zich alleen aan hun eigen keukentafel manifesteren. Volgens sommige theoretici is de Sovjet-Unie in deze ‘doodlopende straat’ ten onder gegaan. The dialectics of change, aldus een boek uit 1990 van de Russische socioloog Boris Kagarlitsky.

9Maatschappelijk middenveld. Zonder burgerlijke organisaties blijven onderdanen gewoon onderdanen die óf ‘dankjewel’ dan wel ‘f**k’ zeggen tegen de bazen. Basisorganisaties bieden een informeel tegenwicht aan de heersende macht. Ze vormen de kiem van meningsvorming, persvrijheid en andere uitingen die essentieel zijn voor de opbouw van een ‘civil society’. In de woorden van de in 1990 overleden Georgische filosoof Merab Mamardasjvili: „De democratische maaltijd komt niet uit een snackbar van Kentucky Fried Chicken. Haast en begeerte hebben in het verleden al te veel mensen gedood”.

10Individueel ongeluk. In het paradijs heerst geen democratie. In het paradijs is iedereen zo gelijk en tevreden dat er geen macht is en dus geen politiek gesprek meer hoeft te worden gevoerd. Het paradijs is het einde van de democratie. Daarom kan een democratie niet zonder een beetje ongelukkige burgers die nog niet alles hebben en nog niet met alles verwend zijn. Een druppel ongeluk is de smeerolie voor een democratiserende samenleving.

Kortom. Democratie kan alleen gedijen in een samenleving waar burgers bereid zijn iets te delen en een beetje ruimte te geven. Tunesië is kansrijker dan Libië. Maar niet te vroeg gejuicht. Ook in landen met een lange traditie, zoals Nederland, kan de voedingsbodem voor democratie dus bederven.

Hubert Smeets is commentator van nrc.next en NRC Handelsblad.

Lees verder op pagina 6-7