De natuur zeurt maar voort

Joris-Karl Huysmans Foto: Dornac
Joris-Karl Huysmans Foto: Dornac

J.-K. Huysmans: Tegen de keer (À rebours). Vertaald en met een nawoord van Jan Siebelink. De Bezige Bij, 301 blz. € 24,90

Jan Siebelink: Conversaties. Met een voorwoord van Oscar van den Boogaard. De Bezige Bij, 283 blz. € 19,90

Joris-Karl Huysmans’ À rebours (1884) staat sinds jaar en dag bekend als de ‘bijbel van de decadentie’. Jan Siebelink vertaaldede roman in 1977, onder de titel Tegen de keer, en dat was het hoogtepunt van een kleine, maar opmerkelijke opleving van het ‘decadentisme’ in de Nederlandse letteren. Naast Siebelink was het vooral Geerten Meijsing, toen nog opererend onder het pseudoniem Joyce & Co, die zich als decadent auteur presenteerde; zijn eerste roman Erwin (1974) was in feite één langgerekte hommage aan Huysmans’ meesterwerk

Bij Siebelink zelf zat het decadente in zijn manhaftige pogingen om de kwekerij en de godsdienstwaanzin van zijn vader een broeierige luister te verschaffen. Met veel verval en verloedering, zoals in het fraaie visioen aan het slot van het verhaal ‘Witte chrysanten’ (uit zijn debuut Nachtschade, 1975): ‘omgeven door een halo van licht’ zweeft de verteller over stad en land en neemt tevreden ‘de algehele en meedogenloze ontbinding’ in ogenschouw.

Het grote publiek liep er destijds niet warm voor. Siebelinks triomf kwam pas jaren later met Knielen op een bed violen (2005), waarin dezelfde dingen zonder ‘decadente’ parafernalia werden beschreven. Voormalige protestantse (maar ook katholieke) lezers herkenden zich er massaal in. We mogen dan afscheid hebben genomen van domineesland, in gedachten keren we er graag naar terug. De literatuur blijkt het ideale medium: de wereld van preek en gebed wordt levensecht opgeroepen, maar omdat ook de nadelen ruimschoots aan bod komen, zal niemand er opnieuw gelovig van worden. De literaire duik in het religieuze verleden sluit zijn eigen antidotum in.

Voor Tegen de keer geldt in zekere zin hetzelfde. De ‘decadentie’ die erin wordt aangeprezen, vindt een tegenwicht in de noodlottige afloop van het verhaal. De laatste telg van een oud adellijk geslacht, hertog Jean des Esseintes, 30 jaar, trekt zich vol weerzin terug uit de maatschappij om in een afgelegen landhuisje een eigen artificiële wereld te creëren – totdat hij daar zo ziek van wordt dat hij op doktersadvies weer terug moet naar Parijs om zich onder de mensen te begeven en een normaal leven te leiden. Des Esseintes’ excentrieke levenswandel en voorkeuren vormen dus niet het laatste woord van de roman. Tegen de keer is ook een kritiek op het ‘decadente’ verlangen naar een volkomen kunstmatig leven.

Dat laatste wordt nog wel eens over het hoofd gezien, maar niet door Siebelink. In zijn nawoord bij zijn vertaling en in een essay in Conversaties (een herdruk van zijn essay- en interviewbundels De reptielse geest en De prins van nachtelijk Parijs uit respectievelijk 1981 en 1985) benadrukt hij de dubbelzinnigheid van het verhaal. Uiteindelijk moet Des Esseintes, de man die de natuur had willen vervangen door de kunst, kunstmatig worden gevoed en ontlast, omdat zijn maag dienst weigert. Siebelink: ‘De schoonheidszoeker steekt een spuit in zijn aars. Ziedaar het volmaakte echec’.

Preekstoel

Zo is het, maar het grootste plezier dat aan de roman te beleven valt, zit in de eigenaardigheden van de hoofdpersoon toen deze nog alle vertrouwen in zijn onderneming had. Vanaf een preekstoel zien we Des Esseintes zijn leveranciers de beginselen van het dandyisme bijbrengen, ter gelegenheid van zijn ‘tijdelijk overleden mannelijkheid’ geeft hij een diner waarbij alles (spijzen, dranken en bedienend personeel) zwart is, en om de kleuren van zijn tapijt beter te laten uitkomen haalt hij een schildpad in huis die wordt versierd met goud en edelstenen, waarna het arme dier onder de last zoveel luxe bezwijkt.

Heel apart is ook het hoofdstuk over de bloemen, dat Siebelink als kwekerszoon zal hebben aangesproken. Eerst laat Des Esseintes uitsluitend kunstbloemen tot zijn huis toe, maar in zijn retraite keert hij dat om en wil hij nog alleen echte bloemen die op kunstbloemen lijken. Bloemen waarvan het is alsof ze ‘door syfilis of lepra [zijn] weggevreten’ of die doen denken aan ‘een stuk kachelpijp, door een smid schopvormig uitgesneden’. Zolang ze maar niet als echte bloemen ogen. Want aan niets heeft Des Esseintes zo’n hekel als aan de natuur.

Tegen de keer is de roman die Baudelaire nooit geschreven heeft. Voor Baudelaire, Des Esseintes’ grote voorbeeld, waren de natuur en in het bijzonder de vrouw verpest door de erfzonde. Ook Des Esseintes (die een acrobate en een buikspreekster als maîtresse heeft gehad) blijkt weinig sympathie voor de vrouw te koesteren; twee gloednieuwe locomotieven (een ‘blondine’ en een ‘brunette’) vindt hij veel mooier. Alles wat de ‘kunst’ voortbrengt, is in zijn ogen beter dan de producten van de saaie, monotone natuur, die ‘ouwe zeur’. Zijn voorkeur gaat uit naar ‘denkbeeldige genietingen’, liever de ‘droom van de werkelijkheid’ dan de werkelijkheid zelf.

Maar het onvermogen om de natuur te accepteren, is ook te beschouwen als een vorm van neurose, van levensmoeheid, van ennui. Vandaar de cultus van de ‘decadentie’ oftewel het ‘opzettelijk verval’, in de taal, in de kunst, in de literatuur. Het begint met de literatuur van het late Romeinse keizerrijk en gaat door tot halverwege de 10de eeuw: ‘De belangstelling van Des Esseintes voor het Latijn nam niet af nu deze taal, net als een door en door verrot beest, zijn ledematen verloor en het etter eraf droop’. Daarna volgt een sprong naar zijn eigen tijd, waarin hij het eveneens ‘decadent’ te noemen werk waardeert van onder anderen Moreau, Redon, Baudelaire, Barbey d’Aurévilly en Mallarmé.

Ernst en ironie

De roman, een onnavolgbare mengeling van ernst en ironie waarin hoegenaamd niets gebeurt, bestaat voor het leeuwendeel uit de presentatie van Des Esseintes’ voorkeuren. Niet alleen op artistiek en literair gebied, ook worden de drank behandeld (hij beschikt over een ‘mondorgel’ waarmee hij de meest bizarre likeuren kan samenstellen), het parfum (met een verstuiver componeert hij ‘gedichten’ van geuren) en de muziek, waarvan alleen de gregoriaanse zang uit zijn katholieke kostschooltijd hem nog werkelijk bevalt.

Het doel is steeds: te kunnen mijmeren en dagdromen. Wat Des Esseintes zoekt, is een spannend virtueel leven. Internet was voor hem een uitkomst geweest, al zou hij het vast veel te democratisch hebben gevonden. Nu blijkt het enige alternatief: de godsdienst. Des Esseintes realiseert zich dat zijn hang naar het artificiële neerkomt op ‘een vurig verlangen naar een ideaal, naar een onbekende wereld, naar een verre gelukzaligheid, even begeerlijk als het volkomen geluk dat de H. Schrift ons belooft’. Het enige wat hem ontbreekt is het geloof, en zelfs het echec van zijn kunstmatige avontuur weet hem dat niet te verschaffen.

Met Huysmans, de schrijver, is het anders gelopen: in 1892 keerde hij terug tot het katholicisme dat hij in zijn jeugd vaarwel had gezegd. Volgens een later geschreven voorwoord bij Tegen de keer wordt die ‘bekering’ al aangekondigd in de roman: ‘Dit boek was een aanzet tot mijn katholieke oeuvre dat er als geheel in de kiem in aanwezig is’. Met de literatuur en de religie kan het dus twee kanten opgaan. De literatuur is een doorgeefluik dat in het geval van Huysmans naar de toekomst leidt, want achteraf is hij ervan overtuigd dat de ‘genade’ al in hem aan het werk was toen hij Tegen de keer schreef. Of zij leidt naar het verleden, zoals bij lezers van Siebelink, die dankzij zíjn esthetisering van de religie hun nostalgie naar het verleden kunnen bevredigen. Ook een vorm van ‘decadentie’, als je er goed over nadenkt, zij het wel wat onschuldiger dan die waaraan Huysmans’ hoofdpersoon te gronde gaat.