Schlemiel

De KNVB mocht zich graag vergrijpen aan het slachtoffer Lex Immers. Slachtoffer? Ja! Weliswaar schlemiel met ranzige gezangen, al was zingen te hoog gegrepen. Ik zag hem staan, en hoorde de wind gieren door de koolschuren van zijn komaf. Iedereen kon zien: in deze meneer, viel geen alfabet te herkennen.

Laat staan een cantate.

Zijn ‘Jodenlied’ was verwerpelijk. Zijn lichaamstaal was dat nog meer. Maar ik blijf het moeilijk vinden om een jongen uit het bietenveld racistische binnenpretjes na te dragen.

Daar zijn andere heren voor.

Misschien wel de voorzitter van ADO Den Haag. Of de sponsor. Of de burgemeester. Of de KNVB. Syndicaat van het paraplusysteem. Je hoort het niet, maar na zo’n spektakelwedstrijd als die tegen Ajax komen ook in de bestuurskamer vuile praatjes los. Met een slok op, uiteraard.

Je kan veel zeggen van Lex Immers, maar niet dat hij enig benul zou hebben van Likud of Hamas, van negotianisme of halal. Zie die blonde Hollandse polderkop en dat lijf met meer staketsel dan organen, en je weet: voor deze mens is prak het einde. Joden, Arabieren, Belgen, Hottentotten: hij zou ze niet herkennen in zijn weiland.

Toch moet de Fremdkörper nu zijn schuld afkopen: vier duels schorsing. De voorzitter van ADO vindt het prima. De directeur Betaald Voetbal van de KNVB heft ook het glas: oef, ons fatsoen is gered. Iedereen buiten schot. Iedereen heilig, heilig, heilig.

Ze kunnen lekker snurken in hun hangmat van fatsoen en goede smaak.

Misschien werd die zondag in de bestuurskamer van ADO nog een grapje gemaakt over Immers. Dat er iemand zei: „Nou, zoveel spirit in het team hebben we in jaren niet gehad. Rectale tuinbonen op het middenveld zijn de toekomst. En ze kosten weinig.”

Sport is verruïnering van de ander. Meestal wordt dat heidense karwei de sporter aangerekend, niet zijn broodheren. Die mogen moord en brand schreeuwen. Of zoals Johan Cruijff de fik steken in Ajax. Kannibalisme als een vriendendienst.

Bonden zijn nog erger. Een groter scheldwoord dan Pat McQuaid kan ik niet bedenken. In vergelijking met de UCI-voorzitter is Immers een heer van stand. Althans, zo lang hij niet zingt.

Een voetballer, een wielrenner, een schaatser: bij de minste verdachtmaking wenkt de guillotine. Dat heb je nooit met de vaders van het verderf: voorzitters, sponsors, gemeentebesturen. Terwijl ook zij de schunnigheden bij elkaar brallen, maar wel altijd achter een iets fijnzinniger façade.

Voor een goed begrip: het boerengat Immers kan mij niet bekoren, niet in zijn spel, niet in zijn bedenkelijke euforie. Maar ik acht hem hoger dan de misselijk makende baronieën van de sport die hem nu zo gretig als schurkpaal misbruiken. En die met hun laffe ventielzeden evengoed foute liedjes zingen als niemand het ziet.

Oud-directeur betaald voetbal Kesler, stond altijd stijf van beschaving. Tot het over zijn FC Twente ging. Dan werd de tegenstander verrot verscholden. Joden, criminelen, oplichters, hoerenlopers… het kwam uit de mond van stijve Henkie. Hij spaarde de mensheid niet, op de tribune.

Nooit vervolgd natuurlijk.

Toen hij nog voorzitter van Ajax was, heeft Michael van Praag eens in zijn dooie eentje een luchtsprong gemaakt in het lege stadion. Met een oerkreet stuurde hij Feyenoord en PSV de verdoemenis in. Gore teksten. Toch voorzitter van de KNVB geworden en zelfs prominente leegloper bij de UEFA. Nu een weldenkend meneertje dat de taal spreekt van wijsgeren en dichters. Handen in onschuld gewassen.