Het kleine, menselijke verslag geeft me een ongemakkelijk gevoel

Over de ramp in Japan zijn er aan de ene kant de harde nieuwsverhalen: voorspellingen over mogelijke, nieuwe aardbevingen, reportages over gemeten radioactief materiaal in spinazie, rauwe melk en de zee, de mate van straling waaraan de omgeving nu blootstaat en de grillige kernreactor, die eerst dikke pilaren witte rook, vervolgens grijze rook en nu zwarte rook spuwt.

Er is ook altijd een ander soort verhalen: berichten die zich richten op het kleine, menselijke verslag, het liefst verhalen waar hoop of ontroering uitspreekt. Zo zagen we foto’s die toonden dat er in Japan binnen de chaos ook orde blijft bestaan: voor de supermarkten met een karige hoeveelheid levensmiddelen stonden geduldig wachtende mensen in de rij, er was in het hele gebied nauwelijks sprake van plundering. Er waren verhalen die de rol van sociale netwerken illustreerden, zoals de Japanse studente in Californië die door middel van Facebook haar familie lokaliseerde. Gisteren kwam het bericht dat een man uit het getroffen gebied ondanks alle tegenspraak een duikerspak had aangetrokken en op zoek was gegaan naar zijn vermiste moeder en dochter – die hij na drie dagen zoeken weer levend terugvond. En over de hele wereld bekeken mensen het filmpje van de twee honden, waarin de ene hond tussen alle puin stug de wacht blijft houden bij een andere hond, die duidelijk gewond is.

Ik voel me altijd enigszins ongemakkelijk bij dit soort verhalen. Natuurlijk dienen ze het doel dat een ontzaglijk grote ramp op een bepaalde manier zichtbaar en invoelbaar wordt. Ook heeft het misschien een troostende werking, dat zelfs als hele steden worden weggespoeld, er nog steeds veel overeind blijft staan. Toch komt het juist door dat persoonlijke en haast heilige ‘rampen brengen het mooiste in de mens naar boven’-aspect dat ik steeds, als in een reflex, aan de andere kant denk. Bij de zes gezinsleden die elkaar terugvinden denk ik aan alle duizenden mensen die elkaar kwijt zijn. Bij de duiker die zijn moeder en dochter vindt vraag ik me opeens af hoeveel vaders wellicht ook zo’n poging hebben ondernomen, en geruisloos hebben gefaald. En bij de honden denk ik schuldig: zouden we niet meer geraakt moeten worden door alle mensen die stug de wacht blijven houden?

Toch las ik gisteren een verhaal dat op mij precies die heilige uitwerking heeft. Het schijnt dat de Yakuza, de Japanse maffia, in stilte al hun materiaal en manschappen inzetten om te helpen. Vluchtelingen mogen in hun kantoren verblijven en ze distribueren vrachtwagens vol voedsel, water, batterijen, zaklampen, instantnoedels en luiers naar het rampgebied. Deze mannen, die normaal hun dagen vullen met mensen afpersen en in chique restaurants kogelvis eten met hun vijand, delen nu noedelpakketjes uit aan gestrande bejaarden. Zelfs de georganiseerde misdaad draagt z’n steentje bij. En hoewel het vast van alles te maken heeft met financiële belangen en macht, wil ik het voor nu graag zien als iets moois wat in hen naar boven komt.

Renske de Greef

Lees eerdere columns van Renske op nrcnext.nl/renske