Akkoord over permanent fonds voor stabilisering Europese munt

De Europese landen hebben een akkoord bereikt over alle onderdelen van het perma- nente noodfonds voor euro- landen. Maar ophoging van het tijdelijke noodfonds is om politieke redenen uitgesteld.

De Europese ministers van Financiën hadden beloofd dat het permanente noodfonds voor eurolanden eind maart in de steigers zou staan. Dat is ze gelukt. Gisteravond kondigden zij aan dat het ‘Europese Stabiliteits Mechanisme’ (ESM) vanaf medio 2013 een totaalbedrag van 500 miljard euro kan uitlenen. Maar over het tijdelijke noodfonds, dat tot 2013 moet lopen en extra garanties van de lidstaten van de Europese Unie nodig heeft – geen woord.

Het ESM maakt deel uit van een groot pakket maatregelen om de euro te schragen. De 27 EU-regeringsleiders moeten daar donderdag en vrijdag over beslissen, als ze in Brussel zijn voor hun traditionele ‘voorjaarstop’.

In het pakket zitten alle elementen waarmee zij hopen de schuldencrisis definitief achter zich te laten: het extra strenge Stabiliteits- en Groeipact met semi-automatische sancties, sterkere harmonisatie van nationaal economisch en begrotingsbeleid (‘Economic Governance’) en het ESM. Over diverse delen van het pakket is al eerder besloten. Maar deze week is de finale deadline die regeringsleiders zichzelf in december hebben gegeven.

Sinds december hebben beleggers hun aanval op de euro duidelijk gedimd. „Beleggers hebben de regeringsleiders het voordeel van de twijfel gegeven”, zei deze week Marco Annunziata, hoofdeconoom van General Electric die zich afgelopen jaar in de media als ‘stem’ van de markten heeft ontpopt. „Maar als ze niet leveren, loopt de spanning weer op.”

Bij wijze van antwoord zei de Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker, tevens voorzitter van de eurogroep (zeventien landen) gisteravond, nu eens niet cynisch: „Ik kan u vertellen dat er een akkoord is over alle elementen van het ESM.” Alsof het een geboorte betrof, voegde hij daaraan toe: „Ik ben daar erg verheugd over.”

Het ESM zit compleet anders in elkaar dan het tijdelijke noodfonds EFSF: het draait om cash, niet om bilaterale garanties. Het krijgt de status van internationale organisatie, in Luxemburg (vandaar dat Juncker extra verheugd was), en gaat functioneren als een soort bank.

De eurolanden zullen zorgen dat er 80 miljard in de ESM-pot zit (aanvankelijk 40 miljard), als reserve. Daarbij moet er in totaal 620 miljard oproepbaar zijn. In totaal gaat het dus om 700 miljard, om 500 miljard te kunnen uitlenen. Het verschil, 200 miljard, is nodig als buffer om het ESM de hoogste rating te geven op financiële markten – wat betekent dat beleggers ESM-obligaties als een kwalitatief hoogstaande en veilige investering zien.

Ingewijden beamen dat 200 miljard tamelijk veel is. Maar zij zeggen dat dit nodig is, omdat maar zes van de zeventien eurolanden de hoogste rating (AAA) hebben. En of dit zo blijft, is in de huidige crisistijd niet zeker. Alle landen bezuinigen enorm. Veel tegenslagen kunnen ze niet lijden. En „no fly-zones boven Libië instellen kost ook geld”, zegt een Europese functionaris. Hij lijkt te doelen op Frankrijk, waar staatsschuld en begrotingstekort zwaar op de openbare financiën drukken.

Dit is de reden waarom van de 440 miljard aan bilaterale garanties in het tijdelijke noodfonds momenteel maar zo’n 250 miljard overblijft om uit te lenen. De rest is nodig om de AAA-rating te houden. Beleggers vinden 250 onvoldoende, mocht een groot land als Spanje of Italië ooit een beroep doen op het fonds.

Diplomaten bevestigden gisteravond: het EFSF is daardoor „wobbly”, het staat niet echt stevig. Daarom hebben regeringsleiders op 11 maart beloofd dat zij zullen zorgen dat er ook daadwerkelijk 440 miljard kan worden uitgeleend. Dat betekent dat de bilaterale garanties omhoog moeten – fors omhoog, als de stevige buffer in het ESM een indicatie is.

Maar een kale kip valt niet te plukken. Griekenland, Portugal of Ierland kunnen weinig extra bijdragen. Men fluistert dat Duitsland, AAA-land, beloofd heeft zijn garantie te verdubbelen. Andere AAA-landen zouden willen volgen. Het probleem is dat dit nu niet aangekondigd kan worden.

In Finland (ook AAA) zijn in april verkiezingen. De huidige regeringspartijen verliezen terrein aan de ‘Nieuwe Finnen’, een eurosceptische partij. Als de Finse regering nu aankondigt dat zij haar bijdrage aan het EFSF verhoogt, kunnen de Nieuwe Finnen dat electoraal uitbuiten.

„Met het permanente mechanisme op komst heeft het ophogen van het tijdelijke mechanisme niet zo’n haast”, vergoelijkte minister Jan Kees de Jager (CDA, Financiën) gisteravond. Volgens hem is het „een technische kwestie” om te zorgen dat er daadwerkelijk 440 miljard uit te lenen valt. „We hebben tot juni om dat te regelen.”

Dat klopt. Niettemin zei een diplomaat gisteren dat Finland het hele EFSF kan doen instorten – elk land moet immers met een verhoging instemmen. Hij noemde dit geen technische kwestie, maar „een politiek probleem van de bovenste plank”.

Nederland draagt 4,5 miljard bij aan de 80 miljard kapitaalreserve voor het ESM, en 35 miljard aan de 620 miljard aan oproepbaar kapitaal. Over de precieze verdeelsleutel voor het ESM is flink onderhandeld. Kleinere en armere eurolanden als Slowakije en Malta hadden bezwaar gemaakt tegen de gebruikelijke ‘ECB-sleutel’, waarin bevolkingsgrootte en bruto nationaal inkomen van een land elk voor 50 procent meetellen. Dit zou nadelig voor hen zijn, dus wilden ze het veranderen. Maar Duitsland was tegen, omdat grote rijke landen dan hadden moeten bijpassen.

Uiteindelijk werd er een compromis gevonden waarbij bruto nationaal inkomen iets zwaarder gaat tellen. Volgens minister De Jager „maakt het voor Nederland nauwelijks uit. Ons aandeel blijft 5,7 procent”.