We kunnen de overwinning al ruiken

De Libische opstandelingen verwelkomen de militaire hulp uit het westen.

„Maar jullie moeten geen grondtroepen sturen, wij kunnen de klus zelf klaren.”

A Libyan holding a flower joins others during the funeral of people who were killed after air strikes by coalition forces, at the martyrs' cemetery in Tripoli March 20, 2011. Western forces pounded Libya's air defences and patrolled its skies on Sunday, but their day-old intervention hit a serious diplomatic setback as the Arab League chief condemned the "bombardment of civilians". REUTERS/Ahmed Jadallah (LIBYA - Tags: CIVIL UNREST POLITICS)
A Libyan holding a flower joins others during the funeral of people who were killed after air strikes by coalition forces, at the martyrs' cemetery in Tripoli March 20, 2011. Western forces pounded Libya's air defences and patrolled its skies on Sunday, but their day-old intervention hit a serious diplomatic setback as the Arab League chief condemned the "bombardment of civilians". REUTERS/Ahmed Jadallah (LIBYA - Tags: CIVIL UNREST POLITICS) REUTERS

Het kerkhof van Hawari in het zuiden van Benghazi is bijna vol. Sinds het begin van de opstand tegen Moammar Gaddafi op 17 februari zijn er al twee lange rijen bij gegraven en het hoogste nummer op de nieuwe, voorlopige grafstenen bedroeg zondagochtend nog 371. Straks zijn er dat 391, wanneer de graven voor twintig slachtoffers van de gevechten van zaterdag, toen de troepen van Gaddafi hun aanval tegen het rebellenbolwerk Benghazi inzetten, zijn dichtgegooid.

Een van die twintig is de 23-jarige Mehdi Osman. Hij was bezig met een masteropleiding toen hier vorige maand de opstand tegen Gaddafi begon. Osmans vrienden laten hun emoties de vrije loop op de collectieve begrafenis. Eén van hen, de 28-jarige Mufteh Salak, steekt een lang en vurig betoog af tegen de honderden omstanders op de collectieve begrafenis, voor hij met veel omhaal zijn machinegeweer in de lucht leeg schiet.

„Wij zijn geen strijders”, roept hij. „Een maand geleden was ik zelf nog aan het studeren. Ik had nog nooit een machinegeweer aangeraakt.” De Libische rebellen mogen er dan wel stoer uitzien met hun kalasjnikovs, keffiyeh (Arafat-sjaal) en op de vijand buitgemaakte kaki uniformen, maar dit is een oorlog waarin geoefende soldaten strijd leveren tegen studenten, boekhouders en kantoorbedienden. „Mijn neef werkt voor een reisbureau”, zegt zakenman Serja Sharkasi, „maar zaterdag heeft hij voor het eerst met een raketwerper geschoten, en toen zijn auto werd opgeblazen door de soldaten van Gaddafi is hij 5 kilometer naar huis gelopen.”

De begrafenis van gisteren was ook deels een zaak van welgestelde mensen, het soort dat de nieuwste iPhone op zak heeft, zoals de 31-jarige ingenieur Mohammed Shembish. „De aanval van zaterdagochtend is hier vlakbij begonnen in Tabolino, een rijke buurt van Benghazi. Wellicht dachten ze dat wij ons niet zouden verdedigen, of dat wie geld heeft in Libië het regime sowieso goedgezind is. Maar toen ze in het wilde weg begonnen te schieten, is het een zaak van pure zelfverdediging geworden.”

Hij is samen met zijn neef Majed Shembish (31) naar de begrafenis gekomen om de laatste eer te betuigen aan vier buren die zaterdag de dood vonden in de strijd tegen de troepen van Gaddafi. „Er waren gewapende mannen in de wijk”, zegt Majed Shembish, „maar het zijn in de eerste plaats gewone burgers geweest die de aanslag van Gaddafi hebben afgeslagen. We hebben de soldaten bestookt met zelfgemaakte molotovcocktails en alles wat voorradig was.” Hoe dat kan? „Dat is niet moeilijk”, zegt Mohammed Shembish. „Zij vechten voor een verloren zaak, wij vechten om te overleven.”

De Westerse bombardementen tegen het regime van Gaddafi hebben de Libische rebellen nieuwe hoop gegeven. Dat, en de wetenschap dat hun geen andere keuze meer rest dan een gevecht op leven of dood. Gaddafi heeft Benghazi gewaarschuwd: als zijn troepen de stad veroveren zullen ze geen genade tonen. „Wij zijn Frankrijk en de andere landen heel dankbaar”, zegt Saif Mohammed, een 50-jarige kapitein, zondagochtend bij het mortuarium van het voornaamste ziekenhuis van Benghazi. „We kunnen de overwinning al ruiken”, valt de 30-jarige ingenieur Ali Fadi hem bij. „En Gaddafi hoeft niet rekenen op een exit zoals Ben Ali in Tunesië of Mubarak in Egypte. Hij zal in Libië sterven.”

In het mortuarium komen familieleden slachtoffers identificeren voor ze naar het kerkhof worden gebracht. Gisteren lagen er 34 lijken in schuiflades en her en der op brancards te wachten op identificatie. Achter een deken liggen nog eens acht lijken van militairen van Gaddafi: vier van hen zijn klaarblijkelijk zwarte Afrikanen, twee in uniform en twee in burgerkledij. Huurlingen, zo weet het ziekenhuispersoneel.

Voor de slachtoffers worden begraven, maken ze een verplichte omweg langs het gerechtsgebouw aan de zeepromenade van Benghazi, dat is uitgegroeid tot een symbolische plek van de Libische opstand. Hier is de afgelopen vier weken een tentenkamp ontstaan met een permanente tentoonstelling over de slachtoffers van het regime. Er hangt ook een verzameling cartoons over de Libische leider. In de tent van werknemers in de oliesector geeft ingenieur Ali Sherif (37) toe dat de opstandelingen de wanhoop nabij waren voor het Franse bombardement van zaterdagavond. „Veel mensen in Benghazi waren zaterdag vertrokken richting Egypte om hun families in veiligheid te brengen. Maar na het Franse bombardement hebben ze rechtsomkeer gemaakt. Het plaatje is drastisch veranderd nu.”

Aan het eind van de begrafenisplechtigheid op het kerkhof van Wahiri zijn hoog in de lucht overvliegende gevechtsvliegtuigen te horen, op weg naar doelwitten ergens in Libië. „We zijn Sarkozy en Obama erg dankbaar”, zegt Mufteh Salak, de student die rebellenstrijder is geworden. Maar: „Wij willen onder geen beding buitenlandse grondtroepen op Libische bodem. Met de hulp van de Westerse luchtsteun kunnen wij de klus zelf klaren.”