The Black Keys tonen zich in grote zaal nietig, maar heroïsch

The Black Keys. Gezien: 18/3 HMH, Amsterdam ****

Net als The White Stripes tien jaar geleden, zijn The Black Keys een duo dat rudimentaire blues toegankelijk maakt voor een groot publiek. En ook The Black Keys zijn inmiddels gepromoveerd van de ‘garage’ naar het stadion: de twee dertigers uit Akron, Ohio, speelden vrijdag voor vijfduizend mensen in een uitverkochte Heineken Music Hall, Amsterdam. Zanger/gitarist Dan Auerbach en drummer Pat Carney hebben niet het elan van Meg en Jack White, dus het was de vraag hoe het duo zich in de grote zaal zou redden. Twijfel bleek onnodig: opvallend was juist hoe indrukwekkend de opstelling was. Carney linksvoor op het podium, met rechts naast hem de frêle Auerbach, die gemoedelijker dan Jack White zijn gitaar laat krassen, en in de zang een verslagen gevoel uitdrukt. The Black Keys vertegenwoordigen de ‘underdog’.

De carrière van The Black Keys, die onlangs drie Grammy’s kregen voor hun zesde cd Brothers (2010), volgt dezelfde ontwikkeling als de muziekgeschiedenis: zoals schonkige blues eind jaren vijftig evolueerde tot deinende soul, zo breidde dit duo onlangs zijn mogelijkheden uit: van minimalisme op eerdere cd’s tot met orgels opgesierde soulnummers op Brothers. Live verliep de ontwikkeling net zo, halverwege verschenen op het toneel twee extra muzikanten met bas en orgel, en speelden ze een zinderende versie van Chop & Change (bekend van de soundtrack van Twilight) en andere recente nummers. Maar in de finale stonden de twee er weer samen: Carney links, met zijn potten en pannen-ritmes, Auerbach rechts, vertwijfeld zijn ziel uitwringend. Nietig, maar heroïsch.