Smaakt lekker hè? Ja, echt werelderfgoed

Niet alleen monumenten worden beschermd als werelderfgoed, ook immateriële zaken als zang, dans en eten. Binnenkort beschermd Duits brood, na de Franse keuken?

(c) Patrick Frilet / Hollandse Hoogte
(c) Patrick Frilet / Hollandse Hoogte Patrick Frilet/Hollandse Hoogte

Zo herinner ik me de scène: Koot en Bie fietsten als echtpaar door een Nederlands landschap van winderige weilanden. In de verte is een grijs, bunkerachtig gebouwtje te zien. Ze stappen af en kijken er langdurig naar. „Mooi hè”, zegt de een wat aarzelend tegen de ander. „Ja”, zegt die met geforceerde overtuiging. „Werelderfgoed hè.”

Toen de Stelling van Amsterdam tot werelderfgoed was benoemd, leek het alsof we iets zeer spectaculairs binnen de landsgrenzen hadden. Iets waarvan iedereen met één blik zou begrijpen dat dat natuurlijk werelderfgoed was.

Maar Koot en Bie zagen, net als de kijkers thuis, niets bijzonders. Een grijze bunker in het landschap. Of eigenlijk zagen ze een vraag in het landschap, als een tekstballon hing die boven het grijze gebouw: wat betekent werelderfgoed?

Die vraag valt met nog meer recht te stellen sinds de Unesco ook immateriële zaken op een werelderfgoedlijst plaatst. Dansen, muziekinstrumenten, festivals, bepaalde manieren van zingen, ze kunnen allemaal werelderfgoed zijn. En manieren van eten.

Zou je in Parijs naar een restaurant gaan en daar een viergangenmaaltijd bestellen, of bij Fransen thuis eten en drinken, dan was je bezig cultureel erfgoed te beschermen. Sinds vorig jaar is dat zo.

Zo is ook het mediterrane dieet een beschermwaardige manier van doen. Het mediterrane dieet is het dieet waar we al jaren mee om de oren geslagen worden en dat ons en de wereld zal behoeden voor hart- en vaatziekten, dikke buiken, drankmisbruik en overmatige vleesconsumptie. Het bestaat uit veel groenten, noten, fruit, olijfolie, af en toe vis, granen en peulvruchten. Het verdwijnt met grote vaart, omdat men ook in de mediterrane landen is overgestapt op McDonald’s, snoep, frisdrank en kant-en-klaarproducten.

Hoe kan de Franse keuken of het mediterrane dieet werelderfgoed zijn?

Werelderfgoed is van iedereen, waar het zich ook bevindt. Dat gold bijvoorbeeld voor de reusachtige boeddha’s van Bamiyan in Afghanistan, die tien jaar geleden door de Talibaan verwoest werden. Het geldt ook voor The Great Barrier Reef in Australië en de ruïnes van Persepolis in Iran, de kathedraal van Modena en de Atheense Akropolis, de Mont Saint Michel, de Waddenzee.

Zulke dingen zijn van iedereen, volgens de Unesco-lijst, en wie ze verwoest of aantast is niet alleen agressief jegens een bepaald land en zijn inwoners, maar jegens de hele wereld. Zodat we dus ook allemaal de plicht hebben zulke dingen te beschermen.

Hoe dat in de praktijk moet is weer een ander verhaal. Hopelijk inspireert de lijst mensen tot grotere eerbied en omzichtigheid in de omgang met culturele erfgoederen.

Je kunt je er iets bij voorstellen als het om gebouwen en natuurgebieden gaat. Maar hoe moet het met het eten dat op die lijst terechtkomt? Dat is niet van alle mensen maar juist karakteristiek voor een gemeenschap, een groep of desnoods individuen, volgens de Unesco-voorschriften. Tot nu toe gaat het nog niet om erg veel. Behalve de genoemde Franse keuken en het mediterrane dieet staan op de lijst Kroatisch gemberbrood, de Mexicaanse traditionele keuken en krakelingen uit het Belgische Geraardsbergen, in combinatie met de jaarlijkse Tonnekensbrand – een eind-van-de-winter-feest dat, aldus de Unesco, „een belangrijk symbool [is] van de identiteit van de inwoners van Geraardsberger, dat hen verbindt door actieve deelname aan het feest en door intergenerationele overdracht”.

Landen kunnen zelf cultureel-culinair waardevolle zaken voordragen voor opname op de lijst. De plaatsing moet de bekendheid en de zichtbaarheid van de traditie in kwestie vergroten en het bewaren ervan stimuleren. Het is dus een soort bescherming.

Iets vergelijkbaars zie je misschien bij de beweging Slow Food, die ook allerlei etenswaren en bereidingswijzen wil bewaren. Slow Food doet dat door het product te omschrijven en de consumptie ervan aan te moedigen, of het nu gaat om het Drentse heideschaap of Leidse kaas. De beweging zegt: zo wordt het bereid, daar kun je het krijgen, eet ervan en geniet ervan.

Dat is een feestelijke manier om de Chaamse pel voor uitsterven te behoeden (eet hem op! dan blijft-ie!), ietsje feestelijker dan te zeggen: deze maaltijd is een stukje werelderfgoed, aangezien hij op Franse wijze is bereid, eindigt met kaas en een zoet dessert en begeleid wordt door wijn en door uw elegante conversatie (want dat hoort er allemaal bij). En waarom moest dat gezegd worden? Gaat de Franse keuken dood?

Waarschijnlijk dus wel. Als iets op zo’n lijst komt, bestaat het niet meer vanzelfsprekend. Blijkbaar is het leven al een beetje uit de culturele traditie, anders hoefde je hem niet te beschermen. Maar de paradox is dat je het leven nóg verder uit de traditie haalt door de bescherming.

Dat is met dat Slow Food-eten hier en daar ook al gebeurd. Bijzondere bereidingswijzen worden niet meer door de traditionele bereiders gedaan, maar door nieuwe liefhebbers. De producten verschijnen niet langer in doodgewone winkels (die zijn allemaal veranderd in supermarkten, daardoor bestaan die ambachtelijk vervaardigde spulletjes ook niet meer) maar op speciale markten of in delicatessenwinkels, waar ze voor veel geld gekocht worden door zeer bewuste eters.

Moet je dan nog spreken van een traditie? Of heeft de bescherming het product verplaatst, van middenin de dagelijkse wereld, naar een speciaal rijk waar fietsers afstappen om met ontzag naar etende Duitsers te kijken en tegen elkaar fluisteren: „Kijk, Duits brood. Bijzonder hè? Werelderfgoed.”

Intussen is door dat type bescherming bijvoorbeeld de rauwmelkse kaas wel behouden gebleven, ondanks de Europese regelgeving die pasteurisatie voorschrijft en kunnen we dus nog steeds camembert of boerenkaas eten. Sommige producten (wijnen, kazen, olijfolies) hebben een AOC- (apellation d’origine controlée) of een BOB- (Beschermde Oorsprongsbenaming) keurmerk, waarin is vastgelegd hoe ze, en waar, en met welke ingrediënten vervaardigd moeten worden willen ze het keurmerk kunnen krijgen. Reden waarom de Griekse feta alleen in Griekenland vervaardigd mag worden, en varkens naar Parma moeten – anders is de schapenkaas geen ‘feta’ of de ham geen ‘Parmaham’.

Maar die ham is geen werelderfgoed. Hij is gewoon zo lekker dat niemand hem kwijt wil. Waarom zouden de Fransen hun manier van eten niet zelf kunnen behouden? Waarom zijn de Duitsers pas echt overtuigd van hun brood als de Unesco zegt: dit draagt bij aan de culturele diversiteit in de wereld? Of is het toch een manier om te zeggen: Kijk ons! Wij zijn erfgoed!