Rebellen versus opstandelingen

In Libië is vorige week weer hard gevochten tussen rebellen en aanhangers van Gaddafi. Er werd ook hard gevochten tussen opstandelingen en aanhangers van Gaddafi. Voor mij is dat niet hetzelfde. Ik bedoel: voor mij hebben de woorden rebellen en opstandelingen niet dezelfde gevoelswaarde.

Dat kan iets persoonlijks zijn. In mijn jeugd las ik het stripblad Sjors. Sjors was een prominent lid van de rebellenclub, een woord dat lang in de titel stond. Zelf was ik in mijn jeugd ook nogal rebels, iets wat ik vaak te horen heb gekregen. Wellicht heeft rebel daardoor voor mij een gevoelswaarde gekregen die ik niet goed kan rijmen met de bloedige en dramatische burgeroorlog die zich nu voltrekt in Libië. Zo associeer ik rebellen vooral met jongeren. Dat kunnen kwajongens zijn, maar ook jongeren die protesteren tegen het wettige gezag. Maar dan toch vooral met stenen, stokken en spandoeken, of hoogstens met molotovcocktails – niet met raketwerpers en kalasjnikovs. En ook niet schouder aan schouder met strijders van alle standen en alle leeftijden, zoals nu in Libië.

Wat zeggen onze woordenboeken over deze kwestie? Vinden zij dat opstandeling en rebel volkomen synoniem zijn? Volgens de Grote Van Dale (2005) is een opstandeling ‘iemand die in opstand komt of die aan een opstand deelneemt’. Als synoniemen geeft dit woordenboek: oproerling, muiter, rebel. Rebel heeft volgens dit woordenboek twee betekenissen: ‘opstandeling tegen de wettige overheid’ en ‘weerspannige, opstandige’.

Anders gezegd: Van Dale stelt mij in het ongelijk.

Maar volgens het Handwoordenboek Nederlands van Prisma, uit 2009, is een rebel een ‘oproermaker, oproerling, muiter’ of ‘weerspannige’. En volgens Koenen (1999) betreft het een ‘oproerling, muiter’, dan wel een ‘opstandig iemand, weerspannige’ (voorbeeldzin: in deze klas is hij de enige rebel – die overal tegenin gaat). Allemaal definities die nauwer aansluiten bij mijn perceptie van rebel.

Nou ja, misschien is het haarkloverij. Het is niet onlogisch dat in een stuk over de burgeroorlog in Libië ook af en toe het woord rebellen valt, al was het maar voor de afwisseling. Bovendien wordt de woordkeuze bij dit soort conflicten altijd in hoge mate bepaald door het perspectief. Voor Gaddafi en zijn aanhangers zijn de opstandelingen terroristen; de opstandelingen zien zichzelf als vrijheidsstrijders. Het is een oude en bekende kwestie, die bijvoorbeeld in berichtgeving over de Palestijnen vaak voor hoofdbrekens heeft gezorgd bij krantenredacties. Wel heb ik stellig de indruk dat er, in navolging van het Engels, nu veel meer over rebellen wordt gesproken en geschreven dan voorheen.

Dan nog iets heel anders: diverse lezers hebben de afgelopen weken gevraagd waar Taalnieuws is gebleven, een rubriek die de voorbije maanden op de Achterpagina stond. Antwoord: op de compacte Achterpagina past minder tekst dan op de Achterpagina oude stijl, dus daarom staat Taalnieuws even in de wacht – misschien wordt er nog een plaatsje voor gevonden. Om toch tegemoet te komen aan de wensen van verscheidene lezers, hier een compacte versie van het Taalnieuws van de afgelopen tijd: er is bekend welke tien talen in de wereld het meest met ondergang bedreigd worden; standaardwerk over het Oude Grieks eindelijk online; opmerkelijk welke taaleisen Italië, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk stellen aan immigranten; komend weekend interessante dialectdag met als thema “Schelden doet geen zeer! Hoe wij elkaar typeren”.

Hartverwarmend was overigens de reactie van een zekere M. Rutte uit Den Haag: “We gaan Taalnieuws teruggeven aan het Taalnieuws.” Wat hij hiermee bedoelde is niet bekend, maar het klonk rebels.