Neem VVD'er Hennis toch eens serieus

Wie ‘ hoofddoekjes’ zegt wordt meteen in het kamp van Wilders geplaatst.

Laten we zonder die pavlov-reactie debatteren over de scheiding van Kerk en Staat.

Het was te verwachten. VVD-kamerlid Jeanine Hennis-Plasschaert plaatst in dagblad De Pers genuanceerde vraagtekens bij overheidsmedewerkers die religieuze symbolen dragen en het halve land gaat los op basis van de krantenkop ‘VVD-Kamerlid wil hoofddoek verbieden’.

Mirjam Sterk (CDA) insinueert dat Nederland op Iran gaat lijken als Hennis-Plasschaert haar zin krijgt. André Rouvoet (ChristenUnie), verwijt haar de vrijheid van andersdenkenden niet te willen verdedigen. Ook in deze krant meent Michael Blok van het Platform Stop Racisme dat Hennis-Plasschaert haar naam als liberaal geen eer aan doet (Opinie, 16 maart).

De reacties laten veel zien, maar niet dat Hennis-Plasschaert de plank missloeg toen zij stelde dat medewerkers van overheidsorganisaties zich beter religieus neutraal kunnen opstellen en dat ‘een beschouwend debat’ over scheiding van Kerk en Staat op zijn plaats is.

In een liberale democratie hoort de overheid burgers in staat te stellen het goede leven na te streven, zonder uitspraken te doen over wat dat goede leven precies is. Daarmee is onlosmakelijk verbonden dat de overheid, vertegenwoordigd door de loketmedewerker in het gemeentehuis, de politieagent op straat, of de rechter die over je lot beslist, zich neutraal opstelt. Het is natuurlijk geen probleem dat een ambtenaar er persoonlijke overtuigingen op nahoudt. Maar wanneer hij of zij in werktijd een hoofddoek, kruisje, of T-shirt met politieke teksten draagt doet hij dat niet als privépersoon, maar als functionaris van de overheid. Indirect doet de overheid daarmee tóch een uitspraak over ‘het goede leven’. Vooral het Franse model van laïcité (secularisme) is hiertegen gekant en zorgt ervoor dat de overheid zich terughoudend opstelt tegenover de opvattingen van haar burgers.

Sympathiek staan tegenover dit model betekent niet dat je anti-religieus bent, zoals Hennis-Plasschaert nu wordt verweten. Het betekent simpelweg dat je de Staat liever ziet als een neutrale scheidsrechter die haar inwoners aanspreekt op basis van hun staatsburgerschap. Met „het verlangen van sommige burgers om op het stadhuis geen enkele uiting van religie te zien”, zoals Blok betoogde op deze pagina, heeft het dan ook niets van doen.

Ook het voorstel van Hennis-Plasschaert om het nut van grondwetsartikel zes over de vrijheid van godsdienst eens kritisch te evalueren, is lang niet zo gek als haar tegenstanders beweren. In praktijk draait artikel zes erop uit dat religieuze handelingen langs een andere meetlat worden gelegd dan niet-religieuze handelingen (denk aan de immer terugkerende discussies over ritueel slachten en het ontslaan van homoseksuele docenten op Christelijke scholen). Er is een keur aan andere grondwetsartikelen die de Nederlandse staatsburger garandeert dat hij in vrijheid zijn geloof kan belijden. De vrees dat afschaffing van artikel zes ‘het makkelijker maakt om moskeeën te verbieden’, zoals Blok betoogt, is dan ook onterecht.

De extreme reacties op het voorstel laten zien dat Nederland gedurende het laatste decennium in een impasse terecht is gekomen. Wie zich publiekelijk afvraagt of het een goed idee is dat vertegenwoordigers van de overheid religieuze symbolen dragen wordt vrijwel direct in het kamp van Wilders geplaatst omdat hij of zij ‘hoofddoeken wil verbieden’. Weg debat. Weg vruchtbare uitwisseling van ideeën.

Of het nu gaat om het integratiedebat of het debat over de zichtbaarheid van religieuze symbolen in de publieke ruimte, we komen geen stap verder wanneer men pavlov-reacties begint te vertonen zodra het woord ‘hoofddoek’ valt.

Jeanine Hennis-Plasschaert deed een beschaafde voorzet tot een publiek debat dat het waard is gevoerd te worden zonder de hysterie van „kopvoddentax!” en „Ja, maar Iran!”.

Wie van de dames en heren politici volgt?

Coen Brummer heeft een master in politieke geschiedenis en is researchmasterstudent history and philosophy of science aan de Universiteit Utrecht.