Meer dan olie en ayatollahs

Iraanse poëzie, verhalen en romans tonen geen enkel spoor van nostalgie naar het Perzië van de sjah.

Anders dus dan hoe Abdolah in Het huis van de moskee het Iran van voor de revolutie beschrijft.

Een van de geheimen van Kader Abdolahs succes is ongetwijfeld de herkenbaarheid van zijn karakters. Het huis van de moskee mag dan in Iran spelen, maar de personages hadden evengoed uit Zeeland kunnen komen, zo oerhollands zijn ze. En de profeet Mohammed die hij in De boodschapper portretteert, lijkt nog het meest op een vrome Zwolse zakenman die uiteindelijk de politiek ingaat. Maar achter die Hollandse herkenbaarheid gaat ook een immense, en ten onrechte veel minder bekende, literaire traditie schuil: Abdolahs oeuvre sluit ook aan op de klassieke en moderne literatuur van Iran.

Het idee dat Iran meer te bieden heeft dan olie en ayatollahs zal sommigen verrassend in de oren klinken; een nog grotere verrassing zijn de adembenemende rijkdom en veelzijdigheid aan thema’s en emoties van deze literaire traditie. In Nederland genieten Roemi en Omar Khayyam wat bekendheid; maar historisch en literair gezien zijn Firdowsi’s epische Boek der koningen, en Nizami’s gedichten van hoofse liefde en mystieke wijsheid, zoals met name ‘Layli’ en ‘Madjnoen’, van minstens even groot belang. Daarnaast kent Iran een enorme traditie van kortere gedichten vol mystieke beeldspraak en wijsheid. Elke Iraniër die de middelbare school afliep, kent verzen van Hafez (1325-1390) uit zijn hoofd, en zal die ook met liefde citeren. Met andere woorden, de klassieke Perzische literatuur is springlevend in Iran.

Maar moderne auteurs proberen vooral afstand tot de klassieke literatuur te nemen. Dat zie je duidelijk in de alom gerespecteerde Ahmad Shamlu (1925-2000). Shamlu zat meer dan eens gevangen voor zijn politieke activiteiten; onrecht en onderdrukking staan centraal in zijn werk, maar toch is dat geen politieke poëzie. De rouw om gedode kameraden vindt ook een tegenwicht in de liefde voor zijn zoon Siavasj:

Omwille van jou

Om de kleine zuivere dingen

Zijn ze gevallen.

De mystieke liefde die in de klassieke poëzie wordt bezongen biedt geen toevluchtsoord voor de barre omstandigheden van zijn tijd. Hij zoekt zijn beelden daarom minder in de klassieke literatuur dan in de volkspoëzie. Dat maakt het ook toepasselijk dat aan Opstandige dauw, de recente bloemlezing van zijn gedichten, een cd is toegevoegd met muzikale arrangementen.

Verder blinkt de hedendaagse Perzische literatuur toch vooral uit in proza. Die begint relatief laat, met Sadegh Hedayats vertelling De blinde uil, in 1936 in eigen beheer in Bombay uitgegeven. Dit verhaal vertoont minder affiniteit met de klassieke Perzische literatuur dan met het Franse surrealisme. Geen mystieke liefde, maar een wereld van duistere seksualiteit, dood en verrotting. Als in een nachtmerrie wordt ook de bekende logica van tijd, ruimte en oorzaken opgeheven. Hedayat heeft alle kenmerken van de poète maudit: hij pleegde in 1951 zelfmoord in Parijs. Zijn werk is buitengewoon invloedrijk geworden; dit is inmiddels al de derde Nederlandse vertaling van De blinde uil. Dat geeft al aan hoe centraal Hedayats positie voor de moderne Perzische literatuur is.

Van een heel ander karakter is de komische roman Lieve oom Napoleon van Iraj Pezeshkzad, gepubliceerd in 1976. Al gauw werd dit boek bewerkt tot een tv-serie, naar verluidt de populairste die ooit op de Iraanse tv is vertoond.

De titelfiguur is een strenge en ijdele gepensioneerde legerofficier, die van zijn neefjes en nichtjes de bijnaam ‘Napoleon’ krijgt. Tot overmaat van ramp wordt de dertienjarige verteller smoorverliefd op Napoleons dochter, maar de ellende barst pas goed los op de dag dat Napoleon herinneringen ophaalt aan zijn heldendaden in een of andere veldslag. Zijn sterke verhalen worden voorturend onderbroken door zijn niet al te snuggere dienaar Masj Qasem, en – nog veel erger – door ‘een geluid als het schrapen van een stoelpoot over steen, of het kraken van een oude zetel’. Binnen de kortste keren ontstaat er een enorme heisa in de bredere familiekring: oomlief voelt zich dodelijk beledigd, en begint al gauw het vermoeden te koesteren dat er een Britse imperialistische samenzwering tegen hem gaande is. Pezeshkzad schrijft met milde ironie en humor over Iraanse politieke en maatschappelijke obsessies, en over kalverliefde. Lieve oom Napoleon is nog niet in het Nederlands vertaald, maar wel is er een uitstekende Engelse versie beschikbaar.

Het Iran van vóór de revolutie, zoals Abdolah dat in Het huis van de moskee beschrijft, is aandoenlijk, om niet te zeggen gezellig; maar van een dergelijke nostalgie ontbreekt elk spoor in het omvangrijke oeuvre van Mahmoud Doulatabadi (1940), zonder twijfel de belangrijkste nog levende, en nog in Iran levende, Iraanse romancier.

Niet lang geleden werd zijn meesterwerk Zonder Soloetsj uit 1978 in het Nederlands vertaald. Die titel zet de lezer trouwens gelijk op het verkeerde been: het boek gaat helemaal niet over Soloetsj, een seizoensarbeider die van de ene dag op de andere zijn gezin verlaat en spoorloos verdwijnt, maar in de eerste plaats over zijn vrouw, Mergan, die opeens de verantwoordelijkheid voor het straatarme gezin krijgt.

Dat gaat niet bepaald gemakkelijk: één van Soeloetsj’ zonen wordt in elkaar geslagen en tijdens haar huwelijksnacht wordt Mergans jonge dochter door haar kersverse echtgenoot gruwelijk mishandeld. In de straatarme dorpsomgeving van Soloetsj’ gezin, lijkt het, is voor moraliteit – laat staan liefde of medelijden – nauwelijks plaats; iedereen offert in zijn strijd om het bestaan het eerst zijn naaste verwanten op. Toch is Zonder Soloetsj geen deprimerend boek, omdat Doulatabadi er op fabelachtige wijze erin slaagt om aan alle ellende te ontstijgen en de gebeurtenissen een haast mythisch karakter te geven.

Ook in zijn andere romans slaagt hij er moeiteloos in om specifiek Iraanse gebeurtenissen een universele zeggingskracht te geven. Zijn immense Kelidar (1978-1983), dat door velen als zijn magnum opus wordt beschouwd, verhaalt van een stam in Khorasan die op de vlucht voor bloedwraak en belastingambtenaren de bergen intrekt, en al spoedig tot onderwerp van allerlei legenden wordt. Doulatabadi’s recentste roman, De kolonel (2007), toont genadeloos hoe een officier uit het leger van de sjah en zijn vijf kinderen worden meegezogen in de islamitische revolutie van 1979. De Iraanse censor noemde het boek een meesterwerk, maar gaf desondanks geen toestemming voor publicatie. Momenteel is De kolonel slechts in het Duits verkrijgbaar, maar in de zomer moet een Engelse versie verschijnen.

Ondanks hun enorme verschillen hebben al deze auteurs één ding gemeen: in hun woordkeus, plot, stijl en beeldspraak sluiten ze eerder aan op enerzijds de moderne wereldliteratuur, en anderzijds op het hedendaagse gesproken Perzisch, dan op de klassieke Perzische literatuur. Daardoor is hun werk ook voor een groter Perzisch publiek toegankelijk. Het zijn eerder politieke dan taalkundige factoren die hun toegang tot een lezerspubliek bemoeilijken: allemaal zijn ze in getroffen door de censuur van het Iran van de sjah en van de islamitische republiek. Hedayat moest zijn eerste werk in het buitenland publiceren, en De blinde uil is nu alleen in een zwaar gekuiste versie verkrijgbaar; Pezeshkzads satire is in de islamitische republiek verboden; en Doulatabadi zat twee jaar lang in een cel van de sjah. Ironisch genoeg worden Doulatabadi’s romans nu niet alleen getroffen door de Iraanse censuur, maar ook door de Amerikaanse boycot van boeken uit Iran. Hoog tijd dus om deze briljante verteller eindelijk de Nobelprijs voor literatuur toe te kennen.

Ahmad Shamlu: Opstandige dauw Vert. door Sharogh Heshmat Manesh. Wereld-bibliotheek, 190 blz. + CD, €17,50

Sadegh Hedayat: De blinde uil. Vert. door Ali Soleimani. Het Talenhuis, 228 blz. €19,95

Iraj Pezeshkzad: My Uncle Napoleon. Vert. door Dick Davis. Modern Library, 512 blz. €16,-

Mahmoud Doulatabadi: Zonder Soloetsj. Vert. door Gert J.J. de Vries. De Geus, 448 blz. €24,90