Antikernenergieactivist met parelketting

Bestaan er etiquetteregels voor kernrampen? Andries Knevel, de moraalridder, bij uitstek deskundig op het punt van fatsoen, formuleerde in gesprek met parlementariër Liesbeth van Tongeren (GroenLinks) een regel waaraan ik zelf niet zo snel had gedacht. Als zich een nucleaire ramp aan het voltrekken is, zei hij, mag je niet over kernenergie praten.

Interessant, zo’n regel. Nog interessanter was het dat bondskanselier Merkel, kennelijk minder thuis op het gebied van fatsoen, op het zelfde moment precies het tegenovergestelde dacht. Zij wilde na de aardbeving in Japan juist wel praten over de toekomst van kerncentrales. Premier Rutte wilde dan weer niets weten van zo’n heroverweging – hij noemde de opstelling van Merkel „merkwaardig”. Zo kon je duidelijk zien wie de etiquette eerbiedigen en wie er maar wat op los leven.

Vroeger, in mijn jonge jaren, sprak iedereen onophoudelijk over kernenergie. „Energie, te belangrijk om aan deskundigen over te laten”, schreef de stuurgroep die in de jaren tachtig vorm moest geven aan een Brede Maatschappelijke Discussie. Ook mensen die niets van kernenergie wisten, moesten zeggenschap krijgen, en dus werden bijna negentienhonderd publieksbijeenkomsten georganiseerd in zaaltjes door geheel Nederland.

Natuurlijk lag aan die procedure wel degelijk een serieuze vraag ten grondslag. Je kunt in een democratie nu eenmaal niet buiten de betrokkenheid van het publiek en dus moest zo’n Brede Maatschappelijke Discussie duidelijk maken hoe je ingrijpende technologische beslissingen kunt democratiseren. Historicus Guido van Hengel, die een paar jaar geleden terugkeek op de discussie, was niettemin weinig enthousiast over de kennis en de inhoudelijke ideeën waarmee de deelnemers kwamen.

De medewerkers die waren ingehuurd om de gesprekken te begeleiden, hadden de boel zelfs niet helemaal kunnen bijbenen. Een notulist van de stuurgroep schreef bitter: „De heer Zoetenmulder gebruikte woorden als ‘dogmatisch’, ‘pragmatisch’, ‘technologisch’ en ga zo maar door. Ik denk dat hij zijn gehoor te hoog heeft ingeschat. Na afloop had ik hoofdpijn van de inspanning.”

Tot overmaat van ramp bleek de discussie ook nog eens volledig voor niets geweest. Hoewel de stuurgroep na afsluiting van haar tournee over de bouw van kerncentrales een negatief advies gaf, besloot het kabinet-Lubbers toch tot de bouw van tien nieuwe centrales. Toen in Tsjernobyl een ongeluk gebeurde, trad de Kneveliaanse etiquette in werking. Omdat het kabinet vond dat je tijdens een ramp niet over kernenergie mocht praten, werd zowel de discussie als de bouw van de centrales afgeblazen.

De les die je uit deze oude geschiedenis kunt leren, heeft vooral te maken met democratisering van ingewikkelde beslissingen. In een notitie over wetenschap en samenleving noemden onderzoekers de Brede Maatschappelijk Discussie dan ook a debate about the debate. Het debat ging er boven alles om wie het proces mocht vormgeven, wie de vragen mocht formuleren en of de politiek zich wel zou houden aan de uitkomsten. Het ging, kortom, meer om de etiquette van het gesprek dan om de kernenergie.

Nu, zoveel jaar later, is zo’n debat over het debat dringender dan ooit. De technologie rukt op, de specialisaties splitsen zich uit, de experts worden steeds knapper en de wereld is nog steeds te belangrijk om over te laten aan deskundigen. Een debat van ondeskundigen over technologie en wetenschap is nodig, niet om specialistische oplossingen te verzinnen, maar om politieke doelen te formuleren en risico’s af te wegen.

Toch zit daar iets in de weg. Datzelfde zat in de jaren tachtig al in de weg – de tegenstellingen hadden minder te maken met politieke doelen dan met levensstijl. „Met zijn driedelig pak was de flamboyante De Brauw niet direct de aangewezen persoon om het vertrouwen te wekken van de antikernenergiebeweging”, schreef Guido van Hengel over de voorzitter van de stuurgroep. Het waren niet je ideeën, maar je kleren die bepaalden waar je stond.

Dat verschil in kleren is sinds de jaren tachtig eerder groter dan kleiner geworden. Toevallig las ik net een boek van de Libanese schrijver Amin Maalouf, De ontregeling van de wereld, waarin hij beschrijft hoe de tegenstellingen ten tijde van de Koude Oorlog hoofdzakelijk ideologisch waren en onophoudelijk ter discussie werden gesteld. De wereld was één immense aula. „In de kranten, op de universiteiten, op kantoren, in fabrieken, cafés en huizen, werd eindeloos gediscussieerd.”

Sinds die tijd zijn we het volgens Maalouf alleen nog met elkaar oneens, omdat we behoren tot verschillende gemeenschappen – omdat we verschillende kleren dragen, zou je kunnen zeggen. „Ik zou wel eens een VVD’er met een hanenkam willen zien”, verzuchtte ik in mijn jeugd, ten tijde van de kernenergiedebatten, „of een antikernenergieactivist met een parelketting.” Eigenlijk zou ik dat nog steeds wel willen: een VVD’er met een hanenkam, die zijn standpunten niet ontleent aan zijn identiteit, maar aan een brede maatschappelijke discussie.