Aanval op Libië goed, nee, juist een blunder

Een tweede Afghanistan?

Sinds de hereniging hebben Duitsers altijd weer positie moeten kiezen in militaire interventies in het buitenland. De eerste spectaculaire beslissing was die over de deelname aan de Kosovo-oorlog. Bij alle kritiek kan deze naar huidige inzichten als succes worden gezien. [...]

Daarna opende de regering-Bush aan het begin van de nieuwe eeuw met het breekijzer de bestaande grens, met de Irak-oorlog. Het ging toen niet, zoals op de Balkan, om Europees territorium, noch was een bondgenoot aangevallen, zoals in het geval-Afghanistan.[...]

Het neen tegen de Iraakse oorlog was vanuit Duits gezichtspunt juist. Dat toenmalig bondskanselier Schröder zijn nee om electorale redenen schaamteloos uitbuitte, veroorzaakte alsnog internationale schade.

Daarmee is het verband met Libië gelegd. Niet zozeer uit verkiezingsoverwegingen als wel uit onervarenheid op het internationale toneel in crisissituaties heeft minister Westerwelle (Buitenlandse Zaken, FDP) Duitsland in een moeilijke internationale positie gemanoeuvreerd. Dat hij eerst in de voorste rij stond van degenen die het einde eisen van de Libische heerser Gaddafi, en daarna het militaire afdwingen van een vliegverbod afwees, liet een gebrek zien aan diplomatieke ervaring. [...]

„Gaddafi’s Libië is geen bedreiging voor een buurland, zeker niet voor Europa. [...] Wie vanuit de lucht in Libië ingrijpt, moet erop rekenen om op de grond aan te komen, omdat het niet consequent zou zijn om Gaddafi’s moordmachine wel in de lucht, maar niet op de grond te stoppen. Wil zo’n inzet zin hebben, dan moeten de aanvallende staten ervoor zorgen dat tenminste een enigszins stabiele staat ontstaat. Hoezo zal deze opgave in Libië gemakkelijker uit te voeren zijn dan in Afghanistan?

(Eckart Lohse, Frankfurter Allgemeine Zeitung, 19 maart)

Berlijns verplichtingen

Duitsland wil een permanente zetel krijgen in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Daarin wordt het gesteund door Frankrijk. De voornaamste Europese economische macht kan niet de politieke dwerg blijven die het gedurende een halve eeuw was, van de val van het nazisme tot die van de muur van Berlijn. Men moet nog wel op de hoogte komen van de verantwoordelijkheden die men ambieert.

Het Duitsland van Angela Merkel heeft daarvan geen blijk gegeven, door te weigeren om de VN-resolutie tot het gebruik van geweld tegen het regime van Gaddafi goed te keuren. Merkel heeft die malaise vervolgens benadrukt, door „het bemoedigende nieuws” uit Libië te begroeten na de aankondiging van een staakt-het-vuren door Tripoli. Alsof Berlijn, zonder de handen vuil te maken, de eerste vruchten wilde plukken van de vastberadenheid van de Franse, Britse en Amerikaanse geallieerden. [...]

Blijft over dat de Duitse niet-betrokkenheid in de Libische zaak een twijfel openbaart die door de partners van Duitsland zal worden gezien als een gebrek aan solidariteit, zelfs van rijpheid. De Duitse economie bloeit, zijn bevolking is minder dan de andere getroffen door werkloosheid en zijn ondernemingen zijn over de hele planeet in de aanval, maar men kan niet aan de ene kant de „gelukkige mondialisering” hebben voor de BV Duitsland en zijn gesalarieerden en aan de andere kant een „gevaarlijke mondialisering” voor de bondgenoten, waarvoor Berlijn zich niet verantwoordelijk acht.

(Le Monde, 20 maart)

Eensgezind front

De geallieerde luchtaanval op de strijdkrachten van Gaddafi volgde met indrukwekkende snelheid, nadat de VN Veiligheidsraad de actie vorige week had goedgekeurd. [...]

De geallieerden moeten zijn voorbereid op een langdurige betrokkenheid. Ze moeten ook eensgezind blijven. Het is verontrustend dat barsten zijn ontstaan in de coalitie. Op zondag heeft Amr Mousra, het hoofd van de Arabische Liga, tegen verslaggevers gezegd dat de luchtaanvallen van de coalitie verder zijn gegaan dan de Liga had bedoeld. Het idee, zei hij, was om burgers te beschermen met een vliegverbod. Het toegepaste geweld was excessief.

Moussa heeft ongelijk. Zijn commentaar is onverantwoordelijk. De VN-resolutie gaf toestemming tot „alle mogelijke maatregelen” om burgers te beschermen, erkennend dat een no-fly zone op zichzelf onvoldoende zou zijn. Het op de grond houden van Libische vliegtuigen beschermt burgers niet tegen de artillerie en de oprukkende tanks.

Frankrijk, Groot Brittannië en de Verenigde Staten hebben sterk gebouwd op de steun voor de actie in de Arabische wereld. De steun van de Arabische Liga voor de militaire interventie was cruciaal voor het verkrijgen van Amerikaanse steun en daarom voor de uiteindelijke uitvoering van de operatie. Zelfs zonder die Arabische steun zijn de acties van de geallieerden gerechtvaardigd en geheel in overeenstemming met internationaal recht. Kritiek uit deze hoek, binnen enkele uren na het begin van de campagne, is schadelijk.

(Financial Times, 21 maart)

Steun Libische oppositie

Als Moammar Gaddafi van zijn dictatorstroon valt in Libië, zoals hij verdient, zal de geschiedenis hem misschien plaatsen in de rol van zijn eigen grootste vijand. Aangemoedigd door het Amerikaanse geweifel om militaire actie tegen hem te ondernemen, lanceerde de Libische dictator een bliksemtegenoffensief tegen zijn rebellerende volk, totdat hij, terwijl hij Benghazi naderde, verklaarde dat er „geen genade en geen medelijden” zou zijn voor het verzet. [...]

De president heeft terecht de Amerikaanse mogelijkheden gewogen en zorgvuldig gewerkt aan een coalitie. De Verenigde Staten kunnen geen oorlog vechten in naam van de rebellen, maar een resultaat dat aan Gaddafi en zijn kring een deel gunt, is niet bevredigend.

(The Washington Post, 19 maart)

Tegen de aanval

Het is volkomen onduidelijk wat het doel is van de interventie. Een eindscenario ontbreekt. [...] Ten tweede missen de aanvallen duidelijke Arabische steun. Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten hebben strijdkrachten beloofd, maar ze vertegenwoordigen 1 procent van het Arabische volk. [...]Ten derde hield de oppositie in de Veiligheidsraad niet op bij Rusland en China. India, Brazilië en Duitsland waren ook tegen en onthielden zich later van stemming. De Afrikaanse unie weigerde een vertegenwoordiger te sturen [...]. Het is een oud patroon waarin Arabische staten geen verantwoordelijkheid nemen om te doen wat ze willen laten doen... door anderen.”

(Michael Walzer, The New Republic, 20 maart)