Lof van het dak

Annelies Kuiper is de eerste dakboerin van Nederland. ‘In theorie kun je zelfs een koe op het dak zetten.’

Maya Donelson creator of the Glide Memorial Church 900 sq. ft. roof top garden, tends to some of the plants against the skyline of San Francisco, CA, on Jun. 2, 2009. (Peter DaSilva for The New York Times) *** Local Caption *** 14165771
Maya Donelson creator of the Glide Memorial Church 900 sq. ft. roof top garden, tends to some of the plants against the skyline of San Francisco, CA, on Jun. 2, 2009. (Peter DaSilva for The New York Times) *** Local Caption *** 14165771 Peter DaSilva/Hollandse Hoogte

e eten spinaziesoep en salade met een toefje mosterd-kiemen. Daarna serveert ze pasta met postelein en vleesvervangers die naar spekjes ruiken. Allemaal biologisch, lokaal gekweekt en zonder E-nummers. De pasta en spinazie komen van de natuurwinkel, mosterdkiemen groeien in het raamkozijn. En de postelein? Die komt van het keukendak.

Annelies Kuiper (37) is de eerste dakboerin van Nederland. In de keuken van haar huis in Haarlem wijst ze omhoog. Op het platte dak groeit de eerste dakgroente. In een vierkante bak, onder een dekentje van stro.

Maar er zijn plannen voor meer.

Haar droom: tuinderijen aanleggen op daken van scholen, bedrijven en bij particulieren. Met biologische aardappelen, witlof, wortels en tomaten. Die kunnen dan beneden in de kantine, of thuisworden geserveerd.

De realiteit: een heleboel vragen. Want een akker til je niet zomaar naar het dak. Zij experimenteert nu met ‘substraten’ – op zoek naar het juiste mengsel grondstoffen dat lichter is dan aarde. Ze overlegt met Dakdokters, een bedrijf dat groendaken aanlegt. Ze liep stage bij een biologische boer.

„In theorie kun je zelfs een koe op het dak zetten. Maar je moet goed bedenken of je dat wil. Of de koe dat wil.”

Het begon met een artikel in De Groene Amsterdammer, afgelopen zomer. „Er stond dat de vraag naar biologisch voedsel binnenkort groter zal zijn dan het aanbod”, zegt Kuiper. „Daar wilde ik iets aan doen.” Maar waar? Want in een smalle donkere stadstuin begin je niet zoveel. Bovendien ligt er op 15 centimeter diepte een dikke laag beton. „Een eetbaar groendak leek me wel wat.”

Zelf eten maken geeft controle, zegt ze – je wéét dat er geen chemische bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt. Bovendien is het gewroet in de grond rustgevend en verslavend. Annelies stopt sinds haar nieuwe loopbaan werkelijk alles in de grond: van zaden die aan haar sjaal kleven tot de pitten van avocado’s. „En dan maar kijken wat eruit komt.”

Alleen: op een dak gelden andere wetten en regels. Zo is er meer wind, en ook meer zon. „Je moet schaduw creëren, en windstille plekjes. En je moet rekening houden met de draagconstructie. Niet overal kun je even intensief verbouwen.” Sommige daken kunnen met gemak een laag van 50 centimeter grond dragen. Daar groeien appelbomen en bramenstruiken. Maar voor haar eigen keukendak ligt de grens bij zo’n 20 centimeter. Geschikt voor pompoen en aardbeien.

Waarom vertrekt ze niet gewoon naar het platteland? „Dan moet je gaan transporteren!” En transporteren: dat is het milieu belasten. Kuiper: „Op het platteland is misschien veel ruimte, maar hier wonen de afnemers. Je moet de afstanden zo klein mogelijk maken.”

Annelies Kuiper is niet de enige die dat verband legt. Er is een groeiend aantal stadsboeren actief. Er worden verrijdbare stadstuinen ontwikkeld, mobiele compostbakken. En er zijn buurtmoestuinen.

Het jongste initiatief heet Tuinboonjemee. Sinds deze maand stopt een groep Amsterdammers overal in de stad tuinbonen in de grond. In juni kan er worden geoogst. Initiatiefnemer Monique van Wegen: „We willen meer eetbaar groen in de stad. Vanuit de idealistische gedachte de voedselkilometers korter te maken.” Dat ze voor deze actie de tuinboon kozen, lag voor de hand. De boon is gemakkelijk te planten (vingerdiep), groeit goed van een klein beetje regen en de stevige struiken zijn behoorlijk „idiot proof”. Volgend jaar planten ze weer een andere vrucht. „Het zou mooi zijn als heel Amsterdam over een paar jaar vol staat met groente en fruit.”

Van Wegen ziet de initiatieven om zich heen toenemen. „Amsterdam heeft een bouwstop – vanwege de crisis. Gebouwen worden afgebroken, maar er komt nog niets nieuws voor in de plaats. Die plekken zijn heel geschikt voor stadslandbouw.”

Jens Dyvik heeft voor zijn plan zelfs helemaal geen grond nodig. Als afstudeerproject ontwikkelde hij de Green Cube. In een mobiele bak met wormen kan de stedeling samen met buurtbewoners compost maken. Bovenop de kar is ruimte voor een minituin. Zelf verbouwde hij er al aardappelen, rucola, tomaten. „Het smaakt gewoon beter als je het zelf hebt gemaakt.” Niet dat hij de illusie heeft dat straks alles uit de stad komt. De waarde van de stadsboer ligt niet zozeer in zijn voedsel, vindt hij, „hij zorgt voor een verbetering van het sociale klimaat in de stad.” Met andere woorden: „je leert je buren kennen.”

Maar ook vandalen. Die trokken vorig jaar de kar omver. En konijnen gingen er met de hele oogst sla vandoor. Niet erg, vindt Dyvik. „Het dwingt je na te denken over de verdere ontwikkeling.”

Dakboerin Annelies Kuiper heeft inmiddels haar eerste serieuze proeftuin op het oog. In een oud seinhuis in Haarlem wil ze haar kantoor vestigen. Boven, op 800 vierkante meter plat dak, komt een kleine tuinderij: met groente, leibomen, een tunnelkas, wat kippen en een composthoop. De hele buurt kan ervan mee-eten.

Stinken doet zoiets niet, zegt ze. En fijnstof? „Heb je wel eens langs de snelweg gekeken? Daar liggen akkers en moestuinen genoeg.”