Bezuinigen op ruimtevaart zou klap zijn voor innovatie

Het kabinet moet alles in het werk stellen om het Europese ruimtevaartcentrum ESTEC in Noordwijk te behouden. Zo niet, dan verliest ons land aan bedrijvigheid, betoogt Laurens Jan Brinkhorst.

Bij het Europese ruimtevaartcentrum ESTEC in Noordwijk wordt het Galileo Performance Center gevestigd. Dat zal de werking controleren van het toekomstige, Europese navigatiesysteem.

Dit bericht is in Nederland ontvangen met totaal stilzwijgen. Terwijl China, Brazilië en India ruimtevaart als belangrijke motor van innovatie zien, lijkt in Nederland nauwelijks belangstelling te bestaan. In het regeerakkoord wordt zelfs gesproken over het schrappen van innovatiesubsidies. Daarbij wordt ook het ruimtevaartbeleid genoemd.

Een jaar geleden is in het verdrag van Lissabon een nieuw artikel 189 opgenomen. Daarin wordt uitdrukkelijk verwezen naar de uitbouw van een Europees ruimtevaartbeleid. Het doel daarvan is het versterken van „de wetenschappelijke en technische vooruitgang en het industriële concurrentievermogen”. Ik dacht dat dit ook een centrale doelstelling was van het kabinet- Rutte. Daarin past niet het terugbrengen van onze ruimtevaartinspanning.

Het Nederlandse ruimtevaartbudget is grotendeels ondergebracht in de begroting van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Het grootste deel daarvan bestaat uit de inschrijving van Nederland bij de Europese ruimtevaartorganisatie ESA. Dat is budget voor het bouwen van ruimte-infrastructuur, die van het grootste belang is voor innovatie in Europa. Het gaat om technologisch zeer hoogwaardig werk, waarvoor Nederlandse bedrijven in competitie opdrachten kunnen verwerven – mits Nederland zich inschrijft bij ESA.

ESTEC in Noordwijk is de belangrijkste en grootste vestiging van ESA, met meer dan tweeduizend hooggekwalificeerde werknemers. Voor Nederland leverde ESTEC tussen 2005 en 2009 jaarlijks gemiddeld zo’n 220 miljoen euro op. Nederland draagt jaarlijks rond de 80 miljoen euro bij aan ESA. Dat bedrag komt dus ruim tweeënhalf keer terug in Nederland. Andere landen zijn daar jaloers op.

Tegenover ESTEC verrijst nu in hoog tempo een centrum voor kleine innovatieve bedrijven die hun kennis, opgedaan bij ESTEC, ten goede laten komen aan de Nederlandse economie. Ook daarom is het behoud van ESTEC een zaak van welbegrepen eigenbelang.

Andere Europese landen liggen op de loer om delen van ESTEC over te nemen. ESA is ook gevestigd in Italië, Duitsland, Groot-Brittannië en Spanje. Zij willen graag dat ESA daar activiteiten onderbrengt die nu in Nederland plaatsvinden. Ze kijken vooral begerig naar de ontwikkeling en bouw van satellieten voor aardobservatie, ruimteonderzoek, bemande ruimtevaart en het ontwikkelen van toepassingen van ruimtevaartgegevens. Ook nieuwe landen in de Europese Unie schatten het belang van ruimtevaart voor hun nationale economie hoog in.

De meeste landen laten hun ESA-bijdrage ondanks de economische crisis ongemoeid, of verhogen deze zelfs. De signalen die Nederland lijkt af te geven, doen vrezen dat hier het tegenovergestelde gebeurt.

Om ESTEC te behouden, zal Nederland een loyale partner van ESA moeten blijven. Nederland kan zijn bijdrage niet verlagen zonder blijvende schade aan zijn reputatie als ESA-lid. Gebeurt dat wel, dan zal ESA de druk niet langer kunnen weerstaan om activiteiten te verplaatsen naar ESA-vestigingen in andere lidstaten.

Zelf heb ik destijds, als minister van Economische Zaken, die druk ondervonden. Om die reden heb ik de ESA-bijdrage verhoogd. Dat beleid is succesvol geweest in het behoud van de positie van ESTEC.

Bezuinigingen zijn onvermijdelijk, maar een ook door andere lidstaten als adequaat erkende, Nederlandse bijdrage aan ESA is essentieel om Nederland te laten profiteren van de ontwikkelingen in de ruimtevaart. Bezuinigen op de ESA-bijdrage zou snijden in eigen vlees zijn.

De Nederlandse ruimtevaartsector heeft op diverse gebieden een uitstekende reputatie. Daarmee kunnen interessante ESA-opdrachten worden verworven, maar daarvoor is wel een adequate ESA-bijdrage noodzakelijk. Wij kunnen niet voor een dubbeltje op de eerste rij zitten.

Laurens Jan Brinkhorst is oud-minister van Economische Zaken (D66) en voorzitter van het Joint Consultative Committee tussen ESTEC en Nederland.